De naam Troje is al tientallen eeuwen een strijdkreet in de Europese cultuur. De befaamde Ilias van Homerus is het oudste literaire werk van Europa. Met dat boek in de hand ontdekte Heinrich Schliemann in 1873 het oudste Troje, weliswaar niet dat van Homerus, maar de formidabele schat die hij uit Turkije smokkelde is zo legendarisch geworden als de heldendaden van Hector en Achilles. In 1945 verdween de schat uit Berlijn, om een halve eeuw later pas op te duiken in Rusland. Het touwtrekken om de schat resulteerde in tentoonstellingen in Rusland en nu in Duitsland.
Michel Didier 2002
Heinrich Schliemann (1822-90) verloor zijn baantje als loopjongen bij een kruidenier
in Ankershagen, een klein stadje in het noordoosten van Duitsland, en zocht
zijn geluk bij een Duitse handelsmaatschappij in Amsterdam. Hij bleek een talenwonder:
uiteindelijk sprak hij zeventien talen vloeiend en een aantal andere een beetje,
zodat zijn firma hem haar in Rusland liet vertegenwoordigen. Daar verwierf de
ambitieuze Schliemann een flink kapitaal, voornamelijk in de indigohandel, en
huwde hij Jekaterina Lisjina, die hem drie kinderen schonk. Het was een ongelukkig
huwelijk, wat blijkt uit de vele brieven die hij haar zond uit het buitenland,
want in de zeventien jaar dat hij met haar was getrouwd, reisde hij de wereld
rond om nog vel meer kapitaal te vergaren. Dubieuze transacties in de Verenigde
Staten verdubbelden zijn vermogen en de Krimoorlog maakte hem een van de rijkste
burgers van Europa.
Volgens eigen zeggen was hij van kindsbeen af gefascineerd door het oude Griekenland,
zoals dat in alle heroïsche glorie oprees uit de boeken van Homerus. Dat
was niet bijzonder, want daar hadden de meeste Europeanen in de negentiende
eeuw last van, maar Schliemann had de middelen, de verbeeldingskracht en het
doorzettingsvermogen om zijn droom werkelijkheid te maken: met het opgraven
van de stad Troje bewijzen dat Homerus in zijn Ilias de exacte locaties beschreef
van de heldendaden van Achilles, Menelaos, Hector, Odysseus en de andere Griekse
vorsten in de tienjarige strijd om de stad. Hij reisde van zijn woonstad Parijs
naar de Turkse stad Pinarbasi, dat door verschillende geleerden was aangewezen
als de plaats die de oude bard had beschreven. De Amerikaanse consul ter plekke,
de Brit Frank Calvert, overtuigde hem ervan dat niet daar, maar bij de stad
Hissarlik het roemruchte Troje te vinden moest zijn. Calvert had al de helft
van de landerijen op de heuvel opgekocht en hielp Schliemann met het verkrijgen
van een firman, een opgravingsvergunning van de Turkse autoriteiten. Na veel
bureaucratische rompslomp kreeg hij uiteindelijk zijn firman, onder de voorwaarde
dat hij de helft van alle vondsten naar het pas geopende museum in Istanboel
zou sturen.
De ongeduldige Schliemann begon te graven buiten het hem toegewezen gebied en
dolf een schacht van twintig bij veertig meter, om zo snel mogelijk bij de onderste
laag te komen van de verschillende op elkaar gebouwde nederzettingen. Daarbij
groef hij onbewust dwars door de stad die Homerus had beschreven (nu bekend
als Troje VI en VII), maar stuitte vijftien meter diep wel op metalen voorwerpen.
Omdat hij zijn werklui voor geen cent vertrouwde, laste hij een werkpauze in
(onder het mom van zijn verjaardag) en groef in zijn eentje en verbluffende
schat op van meer dan 9000 goeddeels gouden voorwerpen (daarbij telde hij elke
kettingkraal mee), die hij in zijn enthousiasme de 'Schat van Priamus' noemde,
naar de legendarische koning van Troje, vader van Hector en Paris en schoonvader
van de befaamde schoonheid Helena. In werkelijkheid groef hij Troje II op, zo'n
1200 jaar ouder dan Homerus' Troje.
Schliemann was nooit van plan geweest zich aan de overeenkomst met de Turken
te houden en smokkelde de schat naar Athene, waar hij hem verdeelde over huizen
van vrienden en verwanten in heel Griekenland. Hij was namelijk hertrouwd met
een zeventienjarige Griekse, Sofia Engastromenos. In zijn ijver om, als een
eigentijdse Pygmalion, van haar een echte archeologe te maken, schreef hij dat
hij de schat samen met zijn trouwe echtgenote had opgegraven, terwijl zij in
werkelijkheid in Griekenland was gebleven. De Turken waren woest en spanden
in Griekenland een proces aan tegen Schliemann. Na een jaar procederen werden
ze in het gelijk gesteld en moest hij 10.000 goudfranken betalen. Hij betaalde
er 50.000 en hield de schat. Hij keerde zelfs verschillende malen terug naar
Hissarlik en haalde nog meer vondsten naar de oppervlakte, die echter nooit
zulke schokgolven door de wereld zonden als de 'Schat van Priamus' had gedaan.
De onvermoeibare Schliemann begon aan een eindeloze reeks lezingen en presentaties
in Europa en Amerika. In Engeland werd hij enthousiast onthaald (de latere premier
Gladstone was een van zijn bewonderaars), in Frankrijk waren de reacties lauwer
en in zijn eigen Duitsland werd hij in archeologische kringen uitgesproken vijandig
bejegend. Het academisch establishment verwierp zijn gevolgtrekkingen, veroordeelde
zijn onoordeelkundige verwoesting van veertig meter Troje en beschuldigde hem
van vervalsingen. Schliemann, die niets liever wilde dan erkend te worden als
serieus archeoloog, schreef honderden woedende brieven en het ene boek na het
andere. Zelfs toen hij in 1976 de Griekse stad Mycene en het gouden masker van
'koning Agamemnon' opgroef (alle vondsten bevinden zich in het Nationaal Museum
in Athene), kwam de storm van verontwaardigd dédain niet tot bedaren.
Hij kreeg het ook aan de stok met Frank Calvert, toen hij de ontdekking van
Troje voor zich alleen (met de hulp van Sofia dan) opeiste. Maar in de ogen
van het grote publiek was hij een held, die de droom van de negentiende-eeuwse
burger verwerkelijkte: het tot leven brengen van de Klassieke Oudheid, zodat
men zich op één hoogte kon voelen met de vorsten en helden die
aan de wieg van de Europese beschaving hadden gestaan.
Nadat de grote musea in Londen en Parijs weinig belangstelling hadden getoond,
schonk Schliemann in 1881 het overgrote deel van zijn collectie aan de nieuwe
Duitse staat, die hem onderbracht in het Völkerkundemuseum, later het Museum
voor Pre- en Protohistorie genoemd, in Berlijn. Zelf bleef hij in Athene wonen,
met Sofia en hun kinderen Agamemnon en Andromache, in het riante 'Paleis van
Ilion' (later het Hooggerechtshof, nu het Numismatisch Museum), ontworpen door
de Oostenrijkse architect Ernst Ziller in Italiaanse Renaissancestijl en van
binnen geheel in oud-Griekse stijl gedecoreerd. Toen Schliemann stierf in 1890
als gevolge van een slecht uitgevoerde ooroperatie, kwam hij te rusten op de
begraafplaats van Athene, in een mausoleum dat eveneens door Ziller was ontworpen,
naar model van de Athena-Niketempel op de Akropolis. Sofia, toen nog pas 38
jaar, schonk de overgebleven verzameling aan het Atheens museum.
'Het goud van Troje' bleef zestig jaar permanent tentoongesteld in Berlijn,
waar het een van de archeologische topattracties was, samen met het Pergamonaltaar
en de kop van Nefertiti, waarmee het jonge rijk de Franse en Britse collecties
naar de kroon stak. Door de oorlogsdreiging in 1937 werd het in veiligheid gebracht
op verschillende plaatsen, tot het uiteindelijk werd ondergebracht in de massieve
'Flakturm'-bunker in de dierentuin, die de Berlijnse kunstschatten tegen Engelse
en Amerikaanse bommen moest beschermen. Daar vonden speciaal voor oorlogsbuit
ingestelde 'trofee-eenheden' van het Russische leger het in mei 1945. Met meer
dan tweeënhalf miljoen (!) andere Duitse kunstschatten werden Schliemanns
vondsten op transport gesteld naar Moskou, in afwachting van een nog te bouwen
'supermuseum' dat het perfide Westen moest overtuigen van de kracht en morele
superioriteit van de Sovjet-Unie.
Het museum kwam er nooit. Van de door het Rode Leger 'geredde' en in Rusland
'bewaarde' kunstwerken en kunstvoorwerpen werden in 1955 anderhalf miljoen teruggegeven
aan de DDR. Er bleven dus nog ruim een miljoen voorwerpen achter, in het diepste
geheim opgeslagen in de kelders van de Hermitage, het Poesjkin Museum en in
talloze kleinere en provinciale musea, bij ministeries en allerlei instituten,
om nooit meer te voorschijn te komen. In West-Duitsland nam men aan dat alles
verloren was gegaan, totdat twee Russische kunsthistorici in de jaren tachtig
op het spoor kwamen van geheimzinnige ruimten in musea, verborgen achter geheime
deuren waar slechts door vele jaren noest werk voor de Partij gelauwerde conservatoren
toegang toe hadden. Tijdens de perestroika publiceerden ze het ene artikel na
het andere over het geroofde goed in ArtNews, wat hen niet in dank werd afgenomen
door hun superieuren in de musea waar ze werkten. Ondanks de intimidatie en
dreigementen door de museumdirecties, het Ministerie van Cultuur en de KGB moesten
de autoriteiten, na enkele jaren categorisch ontkennen, in 1994 uiteindelijk
toegeven dat de verdwenen kunstwerken in Rusland waren opgeslagen.
Verschillende instanties die zich hard maakten voor teruggave van het gestolen
goed aan Duitsland wisten president Boris Jeltsin ervan te overtuigen om zijn
staatsbezoek aan Duitsland luister bij te zetten door de omvangrijke collectie
van de Kunsthalle in Bremen terug te geven, maar het ministerie en de musea
kwamen in het geweer. De kunst moest worden beschouwd als rechtmatig aan het
Russische volk toekomende compensatie voor het door de Duitsers aangedane leed
in de oorlog, en tegenover elke teruggave moest een op zijn minst gelijkwaardige
teruggave staan van door de Duitse legers geroofde Russische cultuurschatten.
Het probleem was, dat die cultuurschatten in 1945 al waren teruggegeven door
de Amerikanen, maar in die roerige tijden had niemand er acht op geslagen en
niemand wist waar die zich konden bevinden. De Oost-Duitse autoriteiten hadden
in 1955 al te kennen gegeven dat zich geen roofgoed van Russische origine meer
op hun grondgebied bevond, hetgeen de terugkeer van ook Schliemanns schat naar
Berlijn op het laatste nippertje verhinderde. Omdat er geen enkele document
van de teruggave van het half miljoen aan Russische kunstschatten bestond, had
in de afgelopen decennia in Rusland de mythe postgevat, dat alles wat door de
nazi's was geroofd zich in geheime opslagplaatsen in West-Duitsland bevond,
of door de Amerikanen op de kunstmarkt was verkocht. "De Amerikaanse musea
moeten verzadigd zijn van met Russisch cultureel erfgoed", stelde Irina
Antonova, directrice van het Poesjkin Museum. Nationalistische partijen in het
Russisch parlement wierpen zich op de kwestie, als betrof het het laatste wat
Rusland nog bezat om de status van supermacht te behouden.
En zo bleef ook de Schat van Priamus in Moskou, niettegenstaande de vele pogingen
op het allerhoogste niveau om het Grieks-Turks-Duits-Russische erfgoed in Duitsland
te krijgen. Zelfs voor een tentoonstelling staan de Russen het niet af, bang
als ze zijn dat het niet meer terugkomt. Om het westers publiek tevreden te
stellen, de Duitse archeologen te laten zien dat de spullen in veilige handen
zijn en de Russische claim te onderschrijven, organiseerden de Hermitage en
het Poesjkin verschillende tentoonstellingen van 'kunsttrofeeën'. In 1996
legde Irina Antonova, de directeur van het Poesjkin Museum die in 1946 nog had
meegemaakt hoe de kratten uit Duitsland werden opengemaakt, in de catalogus
bij de tentoonstelling Het goud van Troje. De zoektocht naar Homerus' legendarische
stad omstandig uit dat Schliemann en zijn vondsten zoveel banden hadden met
Rusland, dat het eigenlijk als Russische collectie moest worden beschouwd.
In arren moede organiseerden de gefrustreerde Duitsers zelf maar een Troje-tentoonstelling,
onder de veelzeggende titel Troje - droom en werkelijkheid. De zeer succesvolle
tentoonstelling, die achtereenvolgens in Stuttgart, Brunswijk en Bonn te zien
was (nog tot 1 april in Bonn) gaat vooral in op de opgraving van de stad door
Schliemann, met virtuele reconstructies en een dikke, verantwoorde catalogus.
Er zijn 'archeologische schatten' te zien uit het Museum voor Pre- en Protohistorie
in Berlijn, maar niet uit Troje. Wel is er het 'grote diadeem' dat Schliemann
opgroef en er voor de foto zijn vrouw Sofia mee sierde. Zij schonk het aan zijn
geboortestad Ankershagen. De overige vondsten uit Troje zijn afkomstig uit het
museum in Istanboel, opgestuurd door Schliemann na het proces en bij latere
opgravingen, maar ook geconfisqueerd door de Turkse politie van twee van Schliemanns
arbeiders in 1873. Ze werden in 1983 al in Istanboel tentoongesteld en twee
jaar later in Tokyo. Van de oorspronkelijke schat zijn in Bonn ook replica's
te zien. Dat is de werkelijkheid. De droom blijft voorlopig in Moskou.
Gebruikte literatuur
Caroline Moorehead, Lost and Found. The 9,000 Treasures of Troy. Heinrich
Schliemann and the Gold that Got Away, Londen: Weidenfeld & Nicholson,
1994
Konstantin Akinsja en Grigorii Kozlov, Stolen Treasures. The Hunt for the
World's Lost Masterpieces, Londen: Weidenfeld & Nicholson, 1995
Vladimir Tolstoj en Michail Treister, The Gold of Troy. Searching for Homer's
Fabled City, Milaan: Leonardo Arte, 1996, tentoonstellingscatalogus Poesjkin
Museum, Moskou
Susan Heuck Allen, Finding the Walls of Troy. Frank Calvert and Heinrich
Schliemann at Hisarlik, Berkely en Los Angeles: California University Press,
1999