Als het alleen aan de Egyptenaren had gelegen, was er misschien wel nooit een Egyptisch Museum gekomen waarin zoveel kunstschatten uit de tijd der farao's bijeen zijn gebracht. Dankzij de opmerkelijke initiatieven en de taaie vasthoudendheid van egyptofiele Europeanen is het museum eind vorige eeuw eindelijk van de grond gekomen. Maar niet dan na een halve eeuw koppige tegenwerking.
Michel Didier 1998
De artistieke overblijfselen van het oude Egypte kunnen met recht eeuwigheidswaarde
worden toegedicht. Egypte is immers nu precies twee eeuwen geleden door Europa
'ontdekt' en in kaart gebracht en sinds die tijd is er om de zoveel tijd weer
een opleving van 'egyptomanie'. Napoleons veldtocht in 1798 bracht de eerste
golf enthousiasme teweeg, die diepe invloed uitoefende op de empirestijl. De
opening van het Suezkanaal zorgde voor een nieuwe golf, aangezwengeld door het
succes van Verdi's opera Aïda. De ontdekking van het graf van Toet-Anch-Amon
in 1922 gaf de tot nu toe grootste rage te zien, die mede de vorm bepaalde van
de art déco in de jaren twintig. En sinds de jaren vijftig flakkert het
sluimerende vuur regelmatig op als er een Toettentoonstelling wordt gehouden.
De vondsten uit het graf van Toet-Anch-Amon bevinden zich allemaal in het Egyptisch
Museum in Caïro, op een paar minder belangrijke dingen na die aan het museum
in New York zijn geschonken of die door de ontdekkers van het graf naar Engeland
zijn gesmokkeld. Als het graf een eeuw eerder was geopend, was de gehele inhoud
vrijwel zeker terechtgekomen in musea in Europa en Amerika. Plaatselijke machthebbers
lieten zich immers graag omkopen door enthousiaste en bemiddelde Europeanen.
Gaandeweg groeide echter het besef van nationaal erfgoed en van het belang een
nationale collectie aan te leggen, al was het alleen maar om te verhinderen
dat alle waardevolle stukken naar het buitenland zouden verdwijnen. De eerste
aanzet werd niet door een ongeruste Egyptenaar gegeven, maar door cultureel
bewuste Europeanen.
Napoleon versloeg alle Turkse en Egyptische legers die tegen hem in het veld
werden gebracht, maar zat als een rat in de val toen zijn vloot bij Aboukir
tot zinken werd gebracht door de Engelsen. In het geniep omzeilde hij met een
scheepje de Engelse blokkade en keerde hij terug naar Parijs, net op tijd om
een staatsgreep te plegen. Zijn leger liet hij echter achter en dat werd door
honger en pest gedecimeerd om uiteindelijk door de Britten te worden geïnterneerd.
De vondsten van het archeologische team dat Napoleon mee had genomen, vielen
ook in Britse handen. Daaronder was de befaamde Steen van Rosette, die door
de Franse officier Pierre Bouchard was gevonden in de Nijldelta bij het funderen
van het Fort Julien in de omgeving van de havenstad Rosette. De steen was voorzien
van een decreet van koning Ptolemaeus V en wel in drie schriften: hiërogliefen,
demotisch schrift (alledaags Egyptisch) en Grieks. Hoewel de Fransen vermoedden
dat deze steen de sleutel tot het raadselachtige hiërogliefenschriften
vormde, duurde het nog drieëntwintig jaar voordat de historicus Jean-François
Champollion de code brak.
Na de Franse capitulatie in 1801 namen de Britten de steen mee naar Engeland,
waar hij tot de kostbaarste oudheden van het British Museum telt. De Fransen
hadden weinig mee kunnen nemen uit Egypte, maar de geleerden en kunstenaars
die de expeditie vergezelden en talloze tempels en graven blootlegden publiceerden
tussen 1809 en 1828 de roemruchte Description de l'Egypte. Honderdvijftig geleerden
en vierhonderd graveurs werkten aan 11 grote folianten met 900 platen en 25
tekstdelen. Het werk resulteerde in een bestorming van Egypte. Britten, Fransen,
Duitsers, Oostenrijkers en andere Europeanen haalden het land zowat leeg in
de eerste dertig jaar van de vorige eeuw. De Europese consuls kregen verlof
om de oude graven te plunderen en werden de eerste internationale handelaars
op de kunstmarkt. Zij hadden Egyptische agenten in dienst, die ervoor zorgden
dat hele karavanen vol oudheden hun weg vonden naar de Europese musea. Liefst
twintig grote collecties werden in Egypte aangelegd, die allemaal in Europa
werden verkocht en terechtkwamen in de musea van Leiden, Londen, Parijs, Berlijn
en Turijn. De Egyptische pasja's beschouwden de oudheden als hun persoonlijk
bezit, dat ze naar believen konden verkopen of schenken aan hooggeëerde
gasten. Zo kreeg Frankrijk in 1831 een van de obelisken van de grote tempel
van Loeksor ten geschenke, die sindsdien het Place de la Concorde siert.
Champollion had zich intussen ontwikkeld tot de grondlegger van de egyptologie:
in 1822 ontcijferde hij de Steen van Rosette, wat een sensatie van de eerste
orde betekende, hoewel zijn conclusies werden geweigerd door de redactie van
de Description de l'Egypte. Hij werd in 1826 conservator van de Egyptische afdeling
van het Louvre en een paar jaar later de eerste hoogleraar egyptologie in Frankrijk.
In 1830 diende Champollion een officieel verzoek in bij de pasja van Egypte,
Mohammed Ali, om een plaatselijk depot te vestigen voor het opslaan en bewaken
van oudheden. In eerste instantie negeerde de pasja dit verzoek, maar vier jaar
later riep hij de ongecontroleerde uittocht van kunstwerken een halt toe door
de Service des Antiquités de l'Egypte in te stellen en een museum op
te richten onder sjeik Rifaa, de minister van onderwijs. De Europese schatgravers,
geruggesteund door hun diplomaten in Caïro, konden niet langer ongehinderd
hun gang gaan. Maar bijna alles wat de Service des Antiquités bijeenbracht,
verdween op geheimzinnige wijze spoorloos voordat het het museum bereikte, of
werd door de regering geschonken aan buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders.
De kleine collectie die door de inspanningen van de Service bijeen was gebracht,
werd ondergebracht in een paviljoen in de Azbakiahtuin in Caïro. Het was
zo'n piepkleine verzameling, dat die bij de verhuizing naar de citadel van het
ministerie van onderwijs in één kamer paste. Een conservator of
zelfs maar suppoost achtte men overbodig.
Deze eerste echt Egyptische verzameling kwam in zijn geheel in Wenen terecht,
toen de nieuwe machthebber Abbas Pasja hem schonk aan de Oostenrijkse aartshertog
Maximiliaan. Die had hem namelijk bij zijn bezoek aan Egypte in 1885 om wat
oudheden gevraagd.
Een nieuwe poging werd drie jaar later gewaagd door de Franse archeoloog Auguste
Mariette. Mariette was assistent geweest op de Egyptische afdeling van het Louvre
en ging naar Egypte om Koptische handschriften aan te kopen. Aanvankelijk nam
hij ook deel aan de algemene handel in antieke voorwerpen, maar al gauw raakte
hij ervan overtuigd dat er een locaal museum moest komen. In 1857 kwam zijn
kans: keizer Napoleon III was van plan de winter in Egypte door te brengen,
en hoewel daar niets van kwam, wist Mariette wel een uitnodiging te krijgen
om opnieuw naar Egypte te kunnen gaan.
Met steun van de Franse keizer èn van Ferdinand de Lesseps, bouwer van
het Suezkanaal (die ook veel invloed op de pasja had), werd Mariette in 1858
benoemd tot Directeur van Oudheden. Dat wilde weliswaar nog niet zeggen dat
er een museum werd gesticht of dat hij zelfs maar salaris kreeg, maar hij kreeg
in ieder geval ruim baan om op te graven en ook een ruimte om het gevondene
in op te slaan. Zijn eerste 'museum' was het oude kantoor van een Nijltransportmaatschappij
in Boelak. Mariette woonde er met zijn gezin en beschilderde eigenhandig de
vier expositiezaaltjes.
Een keuze uit de mooiste voorwerpen was te zien op de wereldtentoonstelling
van 1867 in Parijs, in een speciaal geconstrueerd gebouwtje in de vorm van een
Egyptische tempel met een laantje sfinxen. Keizerin Eugénie, echtgenote
van Napoleon III, was zo gecharmeerd van deze oudheden, dat zij de pasja verzocht
haar de hele collectie cadeau te geven. Gelukkig voor de Egyptenaren verwees
de pasja haar naar de directeur van het museum. Mariette weigerde natuurlijk.
Voortaan stuurde hij alleen nog kopieën en kleine objecten naar wereldtentoonstellingen.
Het succes van deze eerste versie van het Egyptisch Museum was zodanig, dat
Said Pasja en zijn opvolger Ismail Pasja besloten een serieus en ruimer bemeten
museum in te richten. Dit in Neo-Egyptische stijl gebouwde museum viel in 1878
ten slachtoffer aan een rampzalige overstroming: veel kunstwerken spoelden weg
of werden gestolen. Vijf jaar eerder was men echter al begonnen met de bouw
van een enorm museum in Caïro. De internationale prijsvraag voor het ontwerp
werd gewonnen door de Franse architect Marcel Dourgnon - niet vanwege de sterke
Franse invloed in Egypte, maar omdat de streng classicistische opvattingen van
de Franse Académie des Beaux-Arts zo'n immens prestige genoten in de
negentiende-eeuwse wereld. Het nieuwe museum werd dan ook niet in de exotische
Neo-Egyptische stijl gebouwd, maar in de neoclassicistische stijl waarin veel
musea in Europa en Amerika werden gebouwd op dat moment (met uitzondering van
onder andere het Rijksmuseum); deze stijl werd eind vorige eeuw simpelweg beschouwd
als de geëigende stijl om oudheden te huisvesten.
Vooral na de eerste wereldoorlog groeide de verzameling als kool. De ontdekking
van het graf van Toet-Anch-Amon breidde de tentoongestelde objecten met honderden
voorwerpen uit.
Tegenwoordig omvat het museum meer dan 120.000 objecten, reikend van de prehistorie
tot de Romeinse periode, en voor een groot deel toegankelijk voor het publiek.
Dat klinkt erg publieksvriendelijk, maar in de praktijk houdt dat in dat vele
honderden beelden min of meer lukraak bij elkaar gegroepeerd staan in stoffige,
onverlichte ruimten, met een vergeeld stukje papier aan een touwtje rond de
enkel. Daarop staat het JE-nummer; JE staat voor Journal d'Entrée, want
de objecten zijn altijd genummerd in volgorde van binnenkomst. Frans was lange
tijd de voertaal van het museum. Tot in de jaren vijftig heetten de directeuren
na de dood van Mariette in 1881 Maspero, Grébaut, De Morgan, Loret, Lacau
en Drioton. Daar is geen woord Egyptisch bij. Ook de eerste museumgids die in
1883 werd uitgegeven, was in het Frans gesteld. Nadat de diplomaten Sykes en
Picot in 1916 het Midden-Oosten tussen Frankrijk en Engelkand hadden verdeeld
en Egypte binnen de Engelse invloedssfeer kwam, kwamen van de museumgids, naast
een Franse, ook een Engelse en zelfs een Arabische editie uit. Maar de museumcatalogi
zijn deze eeuw allemaal verschenen in de reeks 'Catalogue Général
du Musée de Caire'. Het was een stevig Egyptisch stempel, dat Napoleon
op Frankrijk drukte, maar een minstens even stevig stempel, dat Frankrijk op
Egypte drukte.
De beschilderde kalksteenbeelden van Rahotep en diens vrouw Nofret behoren
tot de eerste en nog steeds de mooiste bezittingen van het Egyptisch Mueum.
Auguste Mariette groef ze op in 1871. Zij leefden in het Oude Rijk, aan het
begin van de vierde dynastie: dat is ongeveer 2620 jaar voor Christus. Rahotep
was waarschijnlijk een zoon van een van de eerste pyramidenbouwers. Hij was
hogepriester van Ra in Heliopolis, de Griekse naam voor de heilige stad die
de Egyptenaren volgens de reizende kroniekschrijver Herodotus 'zonnestad' noemden.
Herodotus was zo vriendelijk de Egyptische namen voor de toeristen in het Grieks
te vertalen, en vandaag de dag kennen wij verschillende Egyptische steden uit
de oudheid nog bij hun Griekse naam.
Van Nofret weten we dat ze 'een bekende' was van de koning. Onder haar zware
pruik en het diadeem met rozetten kunnen we nog een glimp van haar eigen haar
opvangen. De ogen zijn ingelegd met kwarts en kristal. In combinatie met de
prachtig bewaard gebleven gelaatskleur en de realistische gelaatsuitdrukking
zagen de beelden er bij de opgraving zo levensecht uit, dat de werklieden van
Mariette zich een rotje schrokken en zich haastig uit de voeten maakten.
Ook het beroemde beeld van de onbekende zittende schrijver is zo levensecht,
dat het moeilijk is te geloven dat dat beeld 4475 jaar geleden is gemaakt. De
pen die hij in zijn rechterhand hield is verdwenen, maar de aandachtige blik
vanonder zijn lange pruik verraadt zijn bezigheid als schrijver, een van de
benijdenswaardigste beroepen in het Oude Rijk.
In het Nieuwe Rijk was Toetmosis de naam van een reeks farao's voor Achn-Aton
en Toet-Anch-Amon. Een marmeren beeldje van een devoot offerende Toetmosis III
is voorzien van een passende serene glimlach; de jeugd, elegantie en vriendelijkheid
van de koning stralen van het beeldje af. Ongetwijfeld was het een offergave
in een van de tempels van Thebe, waar het waarschijnlijk al in de oudheid uit
is gestolen en verborgen achter een muur in Deir-el-Medina, waar het bedolven
raakte onder het puin van de berg. Uiteindelijk vond de Franse archeoloog Baraize
het in 1893. Toen mocht allang niets meer zonder toestemming van de Egyptische
overheid worden opgegraven, laat staan uitgevoerd, hoewel nog aardig wat stukken
onder de neus van corrupte ambtenaren en douaniers het land uit werden gesmokkeld.
Maar ook daar kwam een einde aan in 1914, toen Duitse archeologen toestemming
hadden gekregen om in Amarna opgravingen te doen. De Duitse keizer Wilhelm II
rustte een expeditie uit met de bedoeling om het museum in Berlijn van een paar
klapstukken te voorzien waarmee de Franse en Britse musea de ogen uit kon worden
gestoken. Misschien wel het beroemdste Egyptische beeld, de buste van koningin
Nefertiti (of Nofretete), verliet het land onder het oog van de Egyptenaren.
De naam 'Nofret-ete' betekent 'de schone is gekomen', wat voor de Berlijners
duidelijk een heel andere betekenis had dan voor de ziedende Egyptenaren, die
nadien niet meer zo scheutig waren met opgraafvergunningen. En er werd goed
op gelet dat elk opgegraven kunstwerk in het Egyptisch Museum terechtkwam -
dat in Caïro, wel te verstaan.
Geraadpleegde literatuur:
Mohammed Saleh & Hourig Sourouzian, The Egyptian Museum Cairo. Official
Catalogue, München (Prestel) en Mainz (Philipp von Zabern) 1987
Carlo Ludovico Ragghiani (red.), Egyptisch Museum Caïro, Utrecht
& Antwerpen (Spectrum) 1970
Edward L. B. Terrace & Henry G. Fischer, Treasures of Egyptian Art from
the Cairo Museum. A Centennial Exhibition 1970-71, Boston, New York &
Los Angeles Museums, Londen (Thames & Hudson) 1970
Georges Posener, Knaurs Lexikon der Ägyptischen Kultur, München
& Zürich (Knaur) 1960