Michel Didier 1997
'Niemand was zo goed in de zakken van de werkelijkheid binnenstebuiten te keren
als Max Ernst,' zei Tristan Tzara. Van verschillende kunstenaars wordt beweerd
dat ze de beste of de invloedrijkste van deze eeuw zijn. In één
opzicht geldt dat voor Ernst: hij ontwikkelde een hele reeks technieken die
de traditionele schilderkunst, grafiek en zelfs sculptuur moesten vervangen.
Collage, frottage, raclage, grattage, assemblage, dripping en décalcomanie
zijn uiteindelijk tot het standaardrepertoire gaan horen van de twintigste-eeuwse
kunstenaar.
Max Ernst komt in 1891 ter wereld in Brühl, een duffe voorstad van Keulen,
tijdens het bewind van keizer Wilhelm II. Papa Ernst is enthousiast amateurschilder
en staat toe dat zijn oudste kind 'zorgvuldig alle studie mijdt, die in een
broodwinning zou kunnen ontaarden. Schildert.' (Ernst schrijft in 1962 een autobiografie,
in de derde persoon, afwisselend in telegramstijl en hilarische uitweidingen.)
Vlak voor het uitbreken van de oorlog sluit Ernst een levenslang 'vriendschapsverdrag'
met de Elzasser Jean Arp. In 1916 richten Tzara en andere anti-kunstenaars in
Zürich dada op. Ernst wordt besmet door het dada-virus, maar is nog onder
de wapenen. Hij krijgt 'trouwverlof' om Luise Strauss, vice-directrice van het
Wallraf-Richartz-Museum in Keulen, te huwen. Na de wapenstilstand maakt hij
met Arp en Johannes Baargeld van Keulen een dada-centrum. Het affiche van de
eerste tentoonstelling (motto: Sla het warme ei uit de hand) wordt door de Engelse
bezettingsautoriteiten in beslag genomen. De tweede expositie, in 1920, is ook
een succès de scandale: 'De door het publiek in woedeuitbarstingen vernielde
werken worden regelmatig door nieuwe vervangen. Aangiften (wegens oplichting,
pornografie, verstoring van de openbare orde enz.) worden, nadat de beschuldigden
door de politie zijn verhoord, terzijde gelegd. De tentoonstelling wordt door
de politie gesloten. Een brief uit Brühl (van vader Philipp): "Ik
vervloek je. Je hebt onze naam onteerd", enz.'
Behalve producten van zondagsschilders en geestesgestoorden, wetenschappelijke
modellen en gevonden voorwerpen als stenen en parapluies, exposeren Baargeld
en Ernst zelfgemaakte anti-kunst. Ernst vervaardigt collages met knipsels uit
postordercatalogi en wetenschappelijke publicaties. Compositie vervangt hij
door samenvoegen, het organische door het mechanische ('Origineel draai-reliëf
uit de long van een 17-jarige roker'). Ook schildert hij opgeplakte knipsels
weer weg, zodat een ogenschijnlijk willekeurige selectie aan figuren en voorwerpen
overblijft, waar meestal verwijzingen naar geslachtsorganen toe behoren, gecombineerd
met afbeeldingen van technische voorwerpen. Om nog meer afstand te nemen van
de academische kunstopvatting, gebruikt hij liniaal en passer om exacte cirkels
en kaarsrechte lijnen te tekenen.
De kubist Picasso geldt als de uitvinder van de collage: hij en Braque plakten
rond 1911 papierknipsels op hun schilderijen. Deze 'papiers collés' hebben
echter een heel andere esthetische functie dan de latere collages van Ernst
en de zijnen. Het 'papier collé' is 'architectonisch' bedoeld, met nadruk
op de vorm en textuur van het papier, dat past in de compositie. De inhoud of
betekenis doet er voor de kubisten niet toe. De dada-collage daarentegen is,
in Ernsts woorden, 'een nieuwe vorm van choquerende en verrassende kunst'. Voor
Ernst is een collage geen onderdeel van een schilderij, maar de negatie van
een schilderij, anti-kunst dus. Door dingen te gebruiken die weinig of niets
met kunst van doen hebben (tijdschriftillustraties, gebruikte materialen) en
geheel nieuwe technieken te gebruiken, probeert hij een alternatief te formuleren
voor schilderkunst.
Het stoutste jongetje van de klas vertrekt in 1922 naar Parijs, op uitnodiging
van Paul Eluard en André Breton, de kopstukken van de surrealistische
beweging die zich op dat moment ontwikkelt uit de destructieve dada. Aanvankelijk
probeert Ernst de surrealistische speurtocht naar de verholen, ware werkelijkheid
te vertalen in olieverfschilderijen met christelijke en mythologische thema's.
De heilige Cecilia en Freuds Oedipus giet hij in plantaardige vormen die zo
uit een biologieboek lijken genomen. De schilderijen hebben het karakter van
collages: 'de systematische uitbuiting van de toevallige of kunstmatig teweeggebrachte
ontmoeting van twee of meer wezensvreemde realiteiten binnen een daartoe ogenschijnlijk
ongeschikt kader - en de vonk poëzie, die bij toenadering van deze realiteiten
overspringt.' Collage is eveneens Frans voor ongehuwd samenwonen, en het begrip
is van toepassing op vrijwel al Ernsts werk. De voorlopig laatste consequentie
van de collages is het reliëf 'Twee kinderen bedreigd door een nachtegaal',
een paneel met een echt hekje voor een geschilderd huisje. Het is tijd voor
een andere benadering.
In 1936 haalt Ernst een jeugdherinnering op aan de patronen op een houten kast,
die door een koortshallucinatie allerlei beelden opriepen en die in beweging
leken te komen. Dertig jaar later (10 augustus 1925) komt de herinnering terug
als hij in een hotelkamer naar de verweerde vloerplanken staart, waarvan de
lijnen uit lijken te vloeien tot grillige beelden. Hij besluit reproducties
van de planken te maken door er papier op te laten vallen en er met potlood
overheen te wrijven: 'Als hij de afdrukken bekijkt, is hij verrast door de plotselinge
intensivering van zijn visionaire vermogens. Hij is verrukt en probeert op dezelfde
manier alle mogelijke andere materialen door te lichten - bladeren met hun nerven,
de uitgerafelde randen van jute zakken, de streken van een paletmes op een 'modern'
schilderij, enzovoort. De zo verkregen tekeningen verloren bij hun ontstaan
het karakter van het gebruikte materiaal, dus bijvoorbeeld van het hout, en
namen de verschijningsvorm aan van ongelooflijk nauwkeurige tekens, die waarschijnlijk
de oorspronkelijke aanleiding van het dwangmatige idee openbaarden of daarvan
althans een schijnbeeld gaven.'
Ernst noemt deze techniek frottage (van wrijven). Het is niets anders dan het
instrumentaliseren van de befaamde passage uit Leonardo da Vinci's Tractaat
over de schilderkunst van vijf eeuwen geleden, waar abstracte schilders steeds
weer naar hebben verwezen:
'Kijk naar een muur die vol vochtplekken zit, of naar stenen die onregelmatig
van kleur zijn. Als ge een achtergrond zoekt, zult ge hierin goddelijke landschappen
zien, bezaaid met bergen, bouwvallen, rotsen; dan weer ziet ge er hele veldslagen
in, gelaatsuitdrukkingen en een oneindigheid van dingen waarvan ge de volledige
en eigen vorm zult kunnen herkennen.'
Frottage, zoals wel meer surrealistische technieken van oorsprong een kinderspel,
is voor Ernst slechts een technisch hulpmiddel om de hallucinatorische vermogens
dusdanig te activeren, dat vanzelf 'visioenen' opkomen. 'Door de woorden de
bewegingloze vader opgeroepen visioen' is een toepasselijke frottagetitel. Steeds
op zoek naar manieren om de verscholen wereld zichtbaar te maken, lazen en herlazen
de surrealisten 'À la recherche du temps perdu'. De frottage is een beeldend
equivalent van het eten van een madeleine, wat bij Proust een onverwachte stroom
aan herinneringen en associaties losmaakt.
Omdat frottage zich niet leent voor olieverf, ontwikkelt Ernst de grattage (van
schrapen): hij legt het doek op een onregelmatige ondergrond en schraapt de
verf weg, waardoor de onderliggende verflaag te voorschijn komt in suggestieve
vormen, die Ernst dan 'herkent' en vervolgens 'voltooit' ('Vision provoqué
par l'aspect nocturne de la Porte Saint-Denis', 1927). 'La horde' (1927, Stedelijk
Museum) is een ontwaakte meute wildemannen, ontstaan uit de textuur van een
bos touw. Grattage maakt letterlijk de onderliggende wereld zichtbaar. Het simpelweg
afschrapen van de bovenste verflaag met een kam of liniaal, zonder onderliggend
materiaal, noemt Ernst raclage (van afkrabben).
Ernsts queeste naar een nieuwe kunst laat zich volgen als een spannend avontuur:
keer op keer ontdekt hij technieken die sedertdien gemeengoed zijn geworden.
In 1929 verschijnt de eerste van zijn drie fameuze collageromans. Ernst verknipt
honderden op de vlooienmarkt gekochte negentiende-eeuwse tijdschriften en stelt
er een verbluffend poëtisch verhaal uit samen dat appelleert aan in het
onbewuste opgeslagen beelden. 'La femme 100 têtes' bestaat uit 147 collages.
De titel krijgt een andere betekenis als je hem uitspreekt: de 'honderdkoppige
vrouw' wordt dan de 'vrouw zonder hoofd'.
Voor het eerst duikt de vogelmens 'Loplop' op, als verteller en hoofdrolspeler
het alter ego van Ernst. In. 'La femme 100 têtes' ontsteekt Loplop de
lantaarns van Parijs en is hij dus de 'Verlichter'. In Ernsts schilderijen komt
Loplop op de proppen in de serie 'Loplop présente'. In 1930 laat Ernst
zich overhalen om een roverhoofdman te spelen in Luis Buñuels film 'L'Âge
d'or'. De rovers schuilen in een hut van houten planken, waar gips overheen
wordt gegooid ter camouflage. Een van deze planken gebruikt Ernst om er 'Loplop
présente Loplop' op te schilderen, een halfmenselijke figuur met drie
vleugelhanden en een kippenkop, die een schilderijtje vasthoudt met een collage
van nog een vogelmens erop. Ernst presenteert hier zichzelf als kunstenaar,
in een geste die typisch surrealistisch kan worden genoemd: het maakt de psychische
motieven zichtbaar achter de werkelijkheid zoals die voordoet aan het oog. De
kunstenaar is niet langer iemand die creëert, maar iemand die zichtbaar
maakt, die 'presenteert'.
Vóór de Loplop-serie komen vogels frequent voor in Ernsts werk,
meest als een gekooide duif. In 'La belle jardinière' (1929) plaatst
hij een wel heel tamme duif tegen de opengewerkte baarmoeder van een naakte
vrouw. Het schilderij krijgt een plaats in de tentoonstelling 'Entartete Kunst'
in 1937 (met het bijschrift: Belediging van de Duitse vrouw) en is sindsdien
spoorloos.
Ernst, die trots was op zijn gierenprofiel, is nooit helemaal losgekomen van
zijn vogelobsessie. De tedere sexuele symboliek van de vogel werkt verontrustend
in combinatie met het sadistische effect van een vogelkop tussen de schouders
van een onthoofde man. Ernst, 'zacht en wreed' tegelijk, gebruikt de vogel ook
in bredere zin, als symbool voor de mens. Eluard, zijn beste vriend onder de
surrealisten, beschrijft hem als: 'Opgeslokt door veren en aan de zee overgeleverd,
heeft hij zijn schaduw veranderd in vlucht, in de vlucht van de vogels der vrijheid.'
In 1940 gebruikt Ernst de décalcomanie-techniek voor zijn voorlopig
laatste werken in Europa. 'Marlène' neemt een verzameling droeve vogels
aan de hand, een toespeling op Ernsts emigratie in de vorm van de vogels, aan
de hand van Marlene Dietrich, die in 1937 al is geëmigreerd. Zij staat
voor Peggy Guggenheim, de miljonairsdochter met een passie voor moderne kunst
en vooral kunstenaars. Zij helpt Ernst te ontsnappen naar de Verenigde Staten,
nadat hij eerst in een Frans kamp voor vijandelijke buitenlanders heeft gezeten
en vervolgens door de Gestapo is gearresteerd. In New York wordt Ernst als Duits
staatsburger onmiddellijk geïnterneerd. Laconiek schrijft hij later: 'Fraai
uitzicht op het vrijheidsbeeld.' Eind 1941 treedt hij in een kort huwelijk met
Peggy Guggenheim.
De techniek waarin 'Marlène' en het magistrale (en profetische) 'Europa
na de regen' zijn geschilderd werd in 1937 door Oscar Dominguez ontdekt, maar
door Ernst in olieverf toegepast: hij brengt de verf niet aan met een penseel,
maar met een glad oppervlak (meestal een glasplaat), waardoor bizarre texturen
ontstaan, als van versteend hout of spons. 'Wat u voor zich heeft, is misschien
slechts de oude paranoïde muur van Leonardo, maar tot perfectie gebracht',
orakelt Breton.
In de Amerikaanse kunstgeschiedenis wordt de rol van de Europese émigrés
bij de vorming van de eerste Amerikaanse school van moderne kunst tijdens de
oorlog ondergewaardeerd. Mondriaan en de Bauhausdocenten oefenen een sterke
invloed uit op de geometrisch-abstracte kunst, terwijl Max Ernst, André
Masson en andere surrealisten het beslissende duwtje geven aan de abstract-expressionisten
van de 'New York School'. Zonder Ernsts experimenten met textuur en schilderen
zonder penseel zouden abstract expressionisme, action painting en zelfs colorfield
painting niet hebben bestaan of een andere wending hebben genomen.
In New York ontdekt Ernst alweer een nieuwe techniek: oscillatie. 'Bindt een
leeg blik aan een touwtje en boor een gaatje in de bodem. Vul het blik met vloeibare
verf en laat het boven een platliggend doek heen en weer zwaaien. Stuur het
met handen, armen, schouders en het hele lichaam. Zo zullen verrassende lijnen
op het doek druppelen. Het spel van vrije associatie kan dan beginnen.' Een
paar jaar later noemt Jackson Pollock ('Jack the Dripper') zijn action-painting-techniek
dripping.
Tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten houdt Ernst zich opnieuw bezig
met sculptuur. Tijdens zijn dada-jaren in Keulen had hij al wonderlijke, de
plaatselijke burgerij verontrustende samenstelsels gemaakt van allerhande gebruikt
materiaal, zoals houten mallen om hoeden mee te vormen. Deze assemblages zijn
voor sculptuur wat collages zijn voor grafiek en montages voor fotografie: uit
nederig wegwerpmateriaal van uiteenlopende komaf construeert Ernst een nieuwe
werkelijkheid. Begin jaren dertig voorziet hij de tuin van Giacometti in Zwitserland
van beschilderde, gevonden stenen. In New York zet Ernst een atelier op om gipsen
afgietsels te maken van zijn assemblages van gevonden voorwerpen. Pas later
zouden er pas bronzen versies van worden gegoten.
In 1946 bouwen Ernst en zijn vierde echtgenote, de schilderes Dorothea Tanning,
zich een huis in Arizona. Ernst maakt een gigantische sculptuur, bedoeld als
wachter voor het huis èn om op te zitten. 'Le Capricorne' is een assemblage
van gevonden voorwerpen: de staf van de zittende mannenfiguur bestaat bijvoorbeeld
uit om en om geplaatste melkflessen. De vissenstaart van de vrouwenfiguur is
een autoveer. De naden van het beeld zijn zorgvuldig weggewerkt, zodat de oorspronkelijke,
banale functie plaatsmaakt voor de nieuwe, poëtische vorm.
In 1953 keert Ernst terug naar Frankrijk. Een jaar later krijgt hij op de Biënnale van Venetië een gouden medaille. Ironisch genoeg is die voor schilderkunst, terwijl hij zijn loopbaan lang heeft gestreefd die schilderkunst te ontstijgen door betere manieren te vinden om zich uit te drukken. Het in ontvangst nemen van de medaille betekent tevens dat Ernst officieel door Breton wordt gedesavoueerd. Maar het maakt allang niet meer uit: de moderne alchemist Ernst heeft zijn queeste volbracht en de twintigste eeuw voorzien van een Steen der Wijzen, een eigen apparaat om de diepst gelegen goudaders mee aan te boren.
Max Ernst in beeld. 60 beelden en 120 foto's
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam
6 december tot en met 8 maart 1998
De Groene Amsterdammer 1997