Michel Didier 1998
"Liefde! Waarom zijt ge het geluk van alle levende wezens maar de ellende
van de mens? - Omdat in deze passie slechts het lichamelijke goed is en de moraal
niet telt."
De Franse schrijver Buffon maakte geen onderscheid tussen lichamelijke en geestelijke
liefde. In onze christelijke beschaving heeft dat onderscheid altijd bestaan.
Het hoogtij van de vergeestelijking viel in de middeleeuwen, hoewel het begrip
'kruistochten' anders doet vermoeden. De hoofse liefde zoals die ons door de
literatuur is overgeleverd, geeft de indruk dat de drastische ontvolking van
Europa niet door pestepidemieën teweeg is gebracht, maar door grootschalige
abstinentie; niet door de zwarte dood, maar door een tekort aan de 'kleine dood'.
Het lezen van de Decamerone, de Canterbury Tales en de Carmina Burana doen veeleer
vermoeden, dat het met het platonische best meeviel en dat de hoofse liefde
een wanhopige poging was om de dierlijke geilheid naar Gods evenbeeld om te
buigen. Erotiek in kunst en literatuur diende meestal een ander doel dan lusten
op te wekken.
Het van stal halen van de klassieken opende vijfhonderd jaar geleden een vat
vol zinnelijkheid, onuitputtelijk vergeleken met de schaarse Bijbelse erotiek.
Met Suzanna en de ouderlingen, Lot en zijn dochters en Bathseba in het bad had
je het wel gehad, terwijl Grieken en Romeinen niets anders leken te hebben gedaan
dan elkaar dag en nacht bronstig nazitten. De saters en nimfen die het woud
bevolkten waren de mythologische oervoorstelling van sexuele energieën.
De gigantische falli die saters hanteren zijn van alle culturen, hoewel meestal
afgezwakt naarmate de cultuur zich ontwikkelde.
Exponent van de hoogste ontwikkelingsfase in de Griekse cultuur is Plato, niet
toevallig de naamgever van de liefde zonder zinnelijkheid. De uitdrukking kan
worden toegepast bij elke spanning tussen materieel en ideëel: bij een
'platonische maaltijd' wordt bijvoorbeeld meer geredeneerd dan gegeten. Praatjes
vullen geen gaatjes. Plato's leerling Aristoteles verschoof het zwaartepunt
van de idee naar de materie. Eeuwenlang hebben Europese kunstenaars zijn opvattingen
over materie gehuldigd: "De materie verlangt de vorm als complement op
dezelfde manier als het vrouwelijke het mannelijke veronderstelt."
Het denken in tegendelen, zoals geest/lichaam, ideëel/materieel, mannelijk/vrouwelijk,
is kenmerkend voor de cultuur van het Avondland. In Aziatische filosofie en
religie wordt eveneens dualistisch gedacht, maar volgens de Chinese Tao bestaat
elk denkbaar lichaam of fenomeen uit een verhouding tussen yin en yang, het
vrouwelijke en het mannelijke element. Yang is helder, rood, mannelijk, hoog
en hemels. Yin is donker, zwart, vrouwelijk, diep en aards. Niets kan zonder
yin èn yang leven, omdat de spanning tussen de twee nu juist de trilling
oplevert die leven mogelijk maakt. De energie die vrijkomt betekent voor mannen
en vrouwen zelfveredeling. Het geven en ontvangen van zoveel mogelijk seksuele
energie verleende aan het Chinese seksuele leven een zekere tweeslachtigheid.
Erotische bekwaamheden werden bijzonder belangrijk, en er werden vele handboeken
voor geschreven. We onderscheiden zes manieren van penetratie en negen typen
van beweging en houding tijdens de gemeenschap, met schitterende benamingen
als: 'geit die tegen de boom stoot', 'achteruit vliegende eenden', 'jammerende
aap hangende aan een pijnboom', 'mus die rijstkorrels pikt' en 'dappere soldaat
die links en rechts slaat om de vijandelijke gelederen te doorbreken'.
Voor de verschillende geslachtsorganen spreken de benamingen 'jade stengel',
'hemelse drakenzuil', 'vermiljoenen poort', 'gouden lotus' en duidelijke taal.
Geslachtsgemeenschap zelf wordt omschreven als 'het openbreken van de wolken
en de regen', terwijl 'pruimebloesem' (tienduizenden malen afgebeeld op bedden,
kamerschermen en porselein) een benaming is voor seksueel genot.
De Hindoes zien het seksuele als bijna sacraal. In de paring zien ze het equivalent
van de schepping, wat in alle religieuze symboliek doordringt. De wereld is
ontstaan door de vereniging van materie en energie, wat wordt gesymboliseerd
door de vereniging van Shiva en Shakti. Het symbool van Shiva is de lingam of
fallus, van Shakti de yoni of vulva. Shiva zelf wordt soms afgebeeld met een
half mannelijk, half vrouwelijk lichaam. Dit dualisme vinden de Hindoes in alles
terug: De wolken hebben de bliksem als hun Shakti, de zon de schaduw.
De man moet, teneinde de kringloop van de wedergeboorten te doorbreken en naar
de hemel te gaan, de Kunst der Liefde machtig worden, dat wil zeggen de kunst
zijn vrouw op diepgaande en uiteenlopende manieren te bevredigen. In het voorwoord
van het derde-eeuwse handboek voor huwelijks geluk, de 'Kama soetra', staat:
'En zo zult gij allen die dit boek leest, weten welk een verukkelijk instrument
de vrouw is, wanneer zij met kennis van zaken wordt bespeeld; hoe volkomen zij
in staat is de verrukkelijkste harmonie te scheppen, de meest gecompliceerde
variaties uit te voeren en de meest exquise bevrediging te schenken.'
Pas in 1883 werd de Kama soetra in het Engels vertaald, en dan nog anoniem en
aanvankelijk gekuist. In plaats van: 'Haar yoni gelijkt de opengaande lotusknop
en haar liefdessap heeft de geur van een pas ontloken lelie,' heette het: 'Haar
mond gelijkt de opengaande lotusknop en haar geur is die van een pas ontloken
lelie.'
Er werden maar een paar exemplaren van gedrukt, zodat het pas in Franse vertaling
het publiek bereikte. Nu stonden Fransen bekend als bedrevener in de liefdeskunst
dan Britten. Geïnspireerd door Indiase, Chinese en Perzische literatuur
schreef Pierre Louÿs in 1898 in 'Aphrodite':
"Je navel is een diepe put in een roze zandwoestijn en je onderbuik een
geitje rustend tegen de borst van haar moeder," en "Zíj is
als een purperen bloem, vol van geur en honing. Zij is als een zeeslang levend
en zacht, des nachts geopend. Zij is de vochtige grot, de immer warme legersteê,
de plaats waar de man, die naar de dood schrijdt, rust."
De fascinatie voor het oosterse komt tot gelding in de theosofie. Dat is immers
een combinatie van het beste dat de wereldgodsdiensten te bieden hebben. Vanwege
de overtuiging dat al het zichtbare betekenis heeft op een symbolisch niveau,
zoals kleuren en vormen, telde de Theosofische Beweging vele kunstenaars. Piet
Mondriaan kwam tot zijn strenge constructies door de theosofie, die het dualistische
principe doortrekt naar vorm en kleur: verticaal en horizontaal staat voor licht
en donker en voor mannelijk en vrouwelijk. In zijn landschappen is het bos mannelijk
en het water vrouwelijk. Heel zijn loopbaan is Mondriaan doende geweest om het
juiste evenwicht te vinden. In zijn schilderij 'Pier en oceaan' uit 1916 dringt
een staand lijnenpatroon in het midden omhoog, dwars door een zee van liggende
lijntjes. Oorspronkelijk was dat een strekdam van boven gezien.
Ondanks het onmiskenbaar fallische is 'Pier en oceaan'niet erotisch bedoeld.
De meeste werken van Picasso zijn dat wel: mannelijk en vrouwelijk botsen steeds
op elkaar. Diens dualisme is dan ook eerder ontleend aan de dialectiek van Hegel,
volgens welke elk lichaam een tegengesteld lichaam behoeft om tot een samensmelting
te komen. Hegels romantische tijdgenoten lieten zich wat de liefde betreft inspireren
door Plato's verhaal van de oorspronkelijke eenheid. De mens zou ooit volmaakt
zijn geweest, maar door de goden gescheiden in een mannelijke en een vrouwelijke
helft, en sindsdien streven naar zijn oorspronkelijke toestand door middel van
paring. Dit nu is de basis van de romantische opvatting, volgens welke de mens
in de liefde zoekt naar de verloren gegane eenheid. Naar de verloren rib.