De leermeesteres van de kunst
De bouwgeschiedenis van de Europese dierentuin

In de oude dierentuinen van Europa staan nog talloze dierenverblijven waaraan ouderwetse opvattingen over dierhuisvesting zijn af te lezen. De bouwgeschiedenis van het dierenrijk weerspiegelt de steeds veranderende visie van de Europeaan op kunst en natuur. Maar ook zijn moderne opvatting van persoonlijke vrijheid vinden we terug in de twintigste-eeuwse diergaarde.

Michel Didier 1999

De oudste dierentuin van Europa staat in Wenen. Hij is van het oorspronkelijke type diergaarde dat al in de Middeleeuwen bestond: de menagerie. Kenmerk van de menagerie is dat ze privébezit is, niet algemeen toegankelijk en onderdeel van een groter geheel van verzamelingen. Menagerieën waren voorbehouden aan de tamelijk tot zeer welgestelden en in de meeste gevallen het prerogatief van de vorst. Die bezat een verzameling verzamelingen, naturalia en artificialia, waarvan de levende have een vanzelfsprekend bestanddeel vormde. De eerste menagerie in Wenen werd al in 1552 aangelegd. De huidige dierentuin kwam in 1752 gereed op initiatief van Frans I, de gemaal van keizerin Maria Theresia. Op de uitgestrekte paleisgronden van het buitenverblijf Schönbrunn liet Frans de bestaande dierenverblijven vervangen door grotere. Het ontwerp was van zijn hofgaardeniers Adriaan van Steckhoven en Jean-Nicolas Jadot de Ville-Issey.
De menagerie bestaat uit dertien onopvallende dierenverblijven, geschilderd in uniform 'Schönbrunner Gelb', rond een achthoekig 'Kaiserpavillon'. Dat van de olifanten is kort en breed, dat van de giraffen lang en smal. Het 'Kaiserpavillon' staat op een verhoog en geeft aan alle kanten middels terrasdeuren uit op de lanen die straalsgewijs naar de dierenverblijven lopen. Frans zat met zijn bezoek in het midden te ontbijten tussen de papegaaien en keek vanuit zijn stoel naar de wonderen der natuur. De Habsburger als zenit van de kosmos, ofwel de mens als middelpunt van de schepping.
Pas in 1779 werd de dierentuin van Schönbrunn opengesteld voor het publiek. De toegang was gratis. Met de Franse revolutie was het tijdperk van de menagerie afgelopen en begon dat van de openbare diergaarde. De onthoofde Franse adel had een aantal verweesde dieren nagelaten en daaruit stelde een comité dierenvrienden een eerste publieke collectie samen in een hoekje van de Jardin des Plantes in Parijs. In 1804 bemoeide Napoleon zich met de gebrekkige behuizing van de beesten: hij liet een flink gebouw neerzetten in de vorm van de (door hemzelf ontworpen) orde van het Legioen van Eer. Voor de grote dieren die er toen in gingen wonen, was het een eeuw later te klein; ook dieren stelden in de twintigste eeuw hogere eisen aan huisvesting. De olifanten, giraffen en neushoorns wonen inmiddels in Vincennes. De Jardin des Plantes heeft, mede dankzij die verhuizing, wel het unieke vroeg-negentiende-eeuwse karakter behouden. In het reptielenhuis zijn de slangen nog in de oude houten vitrines ondergebracht. De roofdieren hebben ruimere hokken, omdat de scheidingswanden zijn weggehaald.

Een aantal jaren na Parijs kreeg menige Europese stad haar dierentuin, ter lering en vermaak, in de eerste plaats van de welgestelde burgerij. In Londen (1828), Amsterdam (1838) en Antwerpen (1842) richtten geïnteresseerde burgers een vereniging op die gelden inzamelde voor de inrichting van een openbare diergaarde. Die moest wetenschappelijke nieuwsgierigheid stimuleren, ontzag inboezemen voor Gods schepping en ook kunstenaars voorhouden dat er geen kunst bestaat zonder de natuur.
Ondernemende Amsterdamse burgers vonden de leuze Natura Artis Magistra ('De natuur is leermeesteres van de kunst') een toepasselijke naam voor een dierentuin, hoewel de Latijnse spreuk oorspronkelijk een heel andere betekenis had: de natuur is sterker dan het aangeleerde, ofwel de ware aard verloochent zich niet. De initiatiefnemers interpreteerden het Latijn echter als een stichtend motto. Het illustreert de combinatie van schoonheid en doelmatigheid die ze in een verzameling dieren en 'opgezette voorwerpen' zagen. Het dier belichaamde de natuur als kunstwerk en als onderzoeksterrein, was dus zowel subject: leermeesteres, als object: onderworpen aan de mens, die als heer der schepping het recht heeft 'om alles aan zijn genot, gemak en genoegen dienstbaar te maken'.
Natura Artis Magistra was de volksmond te vol en werd meteen Artis. Niet Natura, want in Artis gezien worden is heel iets anders dan in Natura. De volksmond begreep niet wat kunst überhaupt met natuur uitstaande had, maar gaandeweg vonden allerlei dierplastieken, monumenten en oude tuinbeelden er een plaats en tegenwoordig prijkt bij elke bocht in de slingerende paden wel een bronzen beest op een sokkel. De Tengenenge-beelden uit Zimbabwe complementeren sinds kort de achttiende-eeuwse bronzen boeddha's, die kapitein Noordhoek Hegt uit Japan meenam. Ze bleven in Artis toen de collectie van het Ethnografisch Museum in 1926 onderdak vond in het Koloniaal Museum in Amsterdam en het Volkenkundig Museum in Leiden.
Tussen 1850 en 1855 kwam in Artis het Groote Museum tot stand om de groeiende verzameling 'dode voorwerpen' te herbergen. Die groeide door meer dan dagelijkse schenkingen van geologische, mineralogische en etnografische objecten zo snel, dat het ene museum na het andere moest worden gebouwd. Rond 1900 stonden er al tien musea in en om Artis.

Sommige dierenverblijven in Artis dateren al van voor de bouw van de dierentuin. Het Masmanhuisje, waar de ibissen wonen, was een sierlijk buitenhuisje in de Plantage en het wolvenverblijf was eertijds een herberg met de naam Eik en Linde.
Hoewel Artis een van de eerste grote dierentuinen in Europa was (het in 1882 geopende aquarium was het grootste en modernste van Europa), zijn de dierenverblijven minder spectaculair dan elders. In de tweede helft van de vorige eeuw maakte de opvatting school dat dieren zo veel mogelijk in een esthetisch passende omgeving moesten worden ondergebracht. Dat wil zeggen dat de stijl van de verblijven moest verwijzen naar het land van herkomst. In de Zoo van Antwerpen verrezen de Egyptische tempel (1856) en het antilopengebouw (1861) in Oosterse stijl.
In veel dierentuinen zijn nog voorbeelden van deze esthetische opvatting te vinden. In Lissabon herinneren Moors aandoende gebouwen zowel aan de Noord-Afrikaanse dierenpracht als aan het middeleeuwse verleden, toen Portugal deel uitmaakte van het kalifaat van Al-Andalus. In de dierentuin van Keulen, opgericht in 1860, staat een eveneens in Moorse stijl opgetrokken olifantenhuis uit 1863. Op de drempel van de nieuwe eeuw, in 1899, verrees daar ook een vogelhuis in de stijl van de Basileuskathedraal in Moskou. Het verband tussen stijl en herkomst van de bewoners is in dit geval ver te zoeken.
Logischer is het bizonhuis in de toen universeel populaire Zwitserse blokhutstijl. De stoere blokhut met de grove stammen kent zijn overtuigendste voorbeelden in de Zoo van Berlijn. Pas in 1844 stelde de Pruisische koning zijn menagerie open voor publiek. In 1945 waren er van de immense dierencollectie nog 91 over en waren alle hokken verwoest. Tegen de buitenrand van deze geheel verantwoord herstelde dierentuin bevinden zich naast elkaar de verblijven voor de wisenten en de bizons. De eersten weten zich beschut door een blokhut van Russische snit, hun Amerikaanse tegenvoeters kennen een Canadees 'Brettenhaus' als onderkomen, met Indiaanse motieven beschilderd en compleet met totempalen.
Artis doet het met het relatief bescheiden Minangkabause Huisje (1916), dat een woning uit de Padangse hoogvlakten imiteert, speciaal voor kleine Aziatische hoefdieren. Ook de Uilenruïne (1921) sluit aan bij die opvatting. Toen bekend werd dat de Brabantse ruïne van Brederode gesloopt zou worden, organiseerde de toenmalige Artisdirecteur een transport om zoveel mogelijk van het bouwwerk te redden. Hij liet er een lekker bemoste en schimmelige behuizing voor allerhande uilen van maken.

Bij het creëren van een 'authentieke' behuizing voor de dieren gingen de dierenverzamelaars geheel voorbij aan hun natuurlijke leefwijze. Ook met voedingspatronen was men soms onbekend. De gorilla 'Bobby' die begin deze eeuw in Berlijn aankwam, is een flagrant geval. De verzorgers hadden geen idee wat ze hem moesten voeren, maar hij leek op een mens, dus kreeg Bobby 's morgens boterhammen met worst, 's middags een warme maaltijd met worst en 's avonds een kotelet met een pul bier.
Jaren na zijn dood kwam Bobby andermaal in het nieuws, toen het bronzen masker met zijn beeltenis op klaarlichte dag werd ontvreemd, naar het heet in een kinderwagen. Van de in Berlijn gestolen kunstwerken is dat het enige dat nooit meer is teruggevonden.
In de Zoo van Berlijn gaan kunst en natuur hand in hand. Talloze bronzen en stenen dieren complementeren die van vel en veren. Een hele fraaie is de bakstenen beer, symbool van de stad Berlijn, van de hand van de expressionistische architect Fritz Höger.

Ook in Artis is van meet af aan gewezen op de artistieke waarde van het getoonde, hoewel de natuurhistorische educatie voorop stond. Hoogleraar beeldhouwkunst Stracké lanceerde in 1873 een plan voor een gebouw aan de Stadhouderskade om Rijksacademiestudenten dieren te laten tekenen, die dan uit Artis gehaald zouden moeten worden. Het bleek een stuk goedkoper om de studenten passen voor Artis te verschaffen.
In de decennia rond de eeuwwisseling was de band tussen de dierentuin en de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten een hechte. In een feestrede ter gelegenheid van het jubileum van Artis in 1888 jubelde academiedirecteur Stokvis dat 'niet alleen de coryfeeën, maar ook de adepten, de kweekelingen der RijksAcademie en die van de KunstIndustrieschool er steeds met open armen en hartelijke voorkomendheid worden ontvangen.' Rond 1900 waren vele kunstenaars dagelijks in Artis aan het werk, om er, zo heette het in Elseviers Maandblad in 1926, 'de welige schoonheid te maaien…Onthutst, overweldigd zijn de meesten na de eerste ontmoeting met dien tuin, met zijn overvloed aan dierlijke kleur en vorm, stand en uitdrukking. Een namenguirlande van Nederlandse kunstenaars siert Artis' geschiedenis.'
De jubilerende 'dierecteur' Kerbert werd in 1915 getrakteerd op een portefeuille kunstwerken van een rits kunstenaars, waaronder Lizzy Ansingh, Jaap Kaas en academiedirecteur August Allebé. Deze map was een opmaat voor de grote 'Tentoonstelling van kunstwerken, betrekking hebbende op het dier' een jaar later. Naast 144 werken van eigentijdse Nederlanders stelde grafisch kunstenaar Samuel Jessurun de Mesquita een kunstgeschiedenis van het dier samen met 286 reproducties. Hij besloot de catalogustekst met: 'Moge deze tentoonstelling de kunstontwikkeling van de bezoekers ten goede komen.'
De artistieke visie maakte van meet af aan deel uit van de wetenschappelijke benadering in de dierentuin. Allebé schreef aan Kerbert: 'Had Rembrandt Artis gekend, zo zou U hem daar dikwijls werkende hebben aangetroffen, vol vertrouwen in de spreuk Natura Artis Magistra.' Zijn opvolger Derkinderen sprak: 'Ik heb vanmorgen nog eens gebladerd in het dagboek van Dürer, uit den tijd toen de kunst nog niet zoo van de wetenschap gescheiden was als thans. En toch, hoe moeilijk konden zij elkaar bereiken, vergeleken bij nu! Nu staat een zo prachtige verzameling ten dienste der kunstenaars.'

Eind vorige eeuw woonde in Sankt Pauli bij Hamburg een vishandelaar. De vissers die bij hem onder contract stonden, leverden alles in wat ze vingen en zo kwam hij aan zeehonden en andere bekijkenswaardige dieren. Zowel het aantal afgeleverde dieren als de publieke belangstelling groeiden als kool en de vishandelaar besloot dierenhandelaar te worden. Het was niemand minder dan Carl Hagenbeck, die typisch twintigste-eeuwse opvattingen had over de huisvesting van dieren. In 1907 opende hij zijn roemruchte dierenpark met de 'Freiluftanlagen' die kenmerkend zijn voor de dierentuinen van onze tijd: licht, lucht en ruimte voor de dieren; geen hokken, tralies of andere visuele barrières meer.
Ook de Giardino Zoologico in Rome (1910) is volgens Hagenbecks principes gebouwd, evenals het Parc Zoologique van Vincennes. De aanleg daarvan illustreert overigens voor een laatste maal hoezeer natuurhistorie en etnologie in het koloniale tijdperk op één hoop werden geveegd. Ter gelegenheid van de Internationale Koloniale Tentoonstelling van 1931, toen de koloniale mogendheden in het Park van Vincennes de gelegenheid kregen hun tropische producten aan te prijzen in 'authentieke' paviljoens, bouwde Parijs meteen maar een grote dierentuin ter vervanging van de ouderwetse Jardin des Plantes. Blikvanger was de 72 meter hoge 'Grand Rocher', waar de moeflons op ronddartelen. Onder het afbrokkelend cement is de baksteenconstructie zichtbaar.
De leeuwen in Vincennes hebben flink de ruimte en zijn van het publiek gescheiden door een gracht in plaats van tralies. Voor de leeuwen van Artis ontwierp de architect B.J. Ouëndag in 1928 het Kerbertterras. Tegen een symmetrisch, betonnen binnenverblijf en verspreide rotspartijen steken de leeuwen goudgeel af.
Ook in Rotterdam waart de geest van Hagenbeck rond. De dierentuin opende haar deuren in 1885, maar moest vanwege de stadsuitbreiding in de jaren dertig verhuizen naar Blijdorp. De architect Sybold van Ravenstein kreeg de opdracht de nieuwe diergaarde te ontwerpen. Door het bombardement in mei 1940 moest er haast mee worden gemaakt en al eind 1940 opende Diergaarde Blijdorp de poorten. Nog steeds is in verschillende gebouwen de hand van Van Ravenstein te zien. Aanvankelijk werkte hij in functionalistische stijl, maar in de jaren dertig kreeg zijn neobarokke kant de overhand. In de krullerige decoratie van de gebouwen is symbolisch de herkomst van de dieren verwerkt.

Ondanks de Freiluft-principes van Hagenbeck kreeg het esthetisch modernisme vaste grond onder de voeten in de Europese dierentuinen. Een van de eerste bouwwerken in de moderne stijl in Londen was het gorillahuis in de Regent's Park Zoo. Elders in Engeland ging de introductie van glas en beton met veel protest gepaard, maar de gorilla's klaagden niet. De architect, Berthold Lubetkin van de Tecton Group, bouwde ook het olifantenhuis en de vermaarde Penguin Pool: twee om elkaar slingerende waggelroutes van beton. Het is zowel functioneel (voor de pinguïns) als esthetisch (voor het publiek). In 1965 werd het olifantenhuis vervangen. Sir Hugh Casson won de uitgeschreven prijsvraag met een brutalistisch ontwerp dat de korte, gedrongen gestalten van de Indische olifanten in geribbeld beton echoot. Maar weer is aan de beesten niets gevraagd.


Aanvullende literatuur:

Antoon van Hooff en Henk van der Horst, Dierentuinen in Europa, Baarn: De Fontein, 1996

Origine 4, 1999