Chinoiserie
De smaak voor draken

Michel Didier 2002

Chinoiserie is de benaming voor alle Europese cultuuruitingen die zich op het Verre Oosten inspireren. Het is een verzamelterm voor alles wat in Europa is gemaakt onder invloed van het verre oosten. China, Japan, India, zelfs Perzië - alles heette 'Chinees'. Vaak had dat weinig of niets met het echte Azië te maken; chinoiserie is simpelweg de uiting van het verlangen naar een paradijselijke wereld die Europa niet was.
Het was de grote rage in de achttiende eeuw, maar is eigenlijk nooit weggeweest uit de exotische inspiratie voor ontwerpers en architecten. De grootste opleving kende het genre in de jaren twintig van de vorige eeuw, maar ook Mao-pakjes en Rode Boekjes zijn nog even exotisch geweest.

I. De smaak voor draken

De Romeinen hadden al handelscontacten met China. Via Perzië importeerden zij vooral zijde: de honger naar die kostbare, vederlichte stof was nagenoeg onstilbaar gedurende de hele periode van het keizerrijk. Ook na de val van Rome werd de import voortgezet, naar Constantinopel ditmaal. Keizer Justinianus probeerde de fortuinenverslindende mode een halt toe re roepen door een vaste prijs door te voeren, maar de Perzische handelaren lieten zich de lucratieve handel niet afnemen. Dus namen Byzantijnse monniken op een geheime missie een aantal zijderupsen mee, volgens de overlevering verstopt in uitgeholde wandelstokken.
De zijderupsenteelt werd een doorslaand succes en de Byzantijnen van het Oost-Romeinse rijk waren verzekerd van hun geliefde zijde. Ter decoratie pasten zij waarschijnlijk via Syrië uit China afkomstige motieven toe als pauwen, draken en fabeldieren. Elfde-eeuwse ornamenten, tot in Troyes en Saint-Denis toe, verraden een Chinese inspiratie. De Romeinse naam voor zijderups, sereca, is afgeleid van de Griekse benaming voor China. Gedurende de Middeleeuwen waren er nauwelijks en dan nog zeer indirecte contacten met China, zodat een in de Europese voorstelling een legendarisch rijk voorbij India ontkiemde, Cathay genaamd, waar wonderbaarlijke mensen toefden tussen een fabelachtige natuur met extravagante planten en dieren. De eerste reiziger die de wonderen van Cathay ontvouwde in al hun ongelofelijke pracht was de Venetiaan Marco Polo, die van 1271 tot 1297 door China reisde, waarvan zeventien jaar aan het hof van Koeblai Chan, kleinzoon van de Mongoolse veroveraar Dzjengis Chan en de eerste keizer van de Yuan-dynastie.
Omdat Polo analfabeet was, schreef hij zijn verhalen bij thuiskomst niet op, maar kort na zijn aankomst werd hij door de Genuezen krijgsgevangen gemaakt en in zijn cel deelde hij zijn wederwaardigheden mee aan een celgenoot uit Pisa. Deze Rustichello schreef alles op en fantaseerde er nog heel wat bij. Hoewel het grootste deel van het later gepubliceerde boek op waarheid berustte, kreeg het de bijnaam 'Il Milione' - doelend op de miljoen wonderen - of leugens - die Polo bij elkaar had verzonnen. In de zes daaropvolgende eeuwen bleek beetje bij beetje dat de Venetiaan tamelijk accuraat was geweest - sommige van de door hem beschreven steden werden pas in de negentiende eeuw voor het eerst weer door een Europeaan bezocht.
Natuurlijk konden dertiende-eeuwse Europeanen geen geloof hechten aan verhalen over steden die mooier, groter en welvarender waren dan Venetië, net zomin als de Chinese keizer Chien Lung in de achttiende eeuw in het bestaan van een rijk en beschaafd Europa geloven. Maar 'Il Milione' voedde de legende van het rijke en fabelachtige Cathay aan het eind van de wereld, een legende die de vorm aannam van een paradijs, een beschaving zoals Europa dat nog lang niet was, met een wijs bestuur en verfijnde omgangsvormen.
Het veruit populairste boek van de Middeleeuwen, 'De reizen van Sir John Mandeville', bleek pas vijf eeuwen later een complete vervalsing te zijn. De schrijver, waarschijnlijk Jean d'Outremeuse, was nooit in het door hem gedetailleerd beschreven Cathay geweest. Behalve beschrijvingen van vreemde wezens met ogen in hun voorhoofd, met paardenhoeven of met bovenlippen van een formaat waarmee ze hun gezicht tegen de zon konden beschermen, geeft 'Mandeville' een indruk van onmetelijke rijkdom: het paleis van de Grote Chan is geheel bedekt met goud, parels en edelstenen; vloeren en zuilen zijn met zilver bedekt.
Mandeville werd populair op het moment dat de deuren naar het verre oosten werden gesloten: alle Europeanen werd de toegang ontzegd en China trok zich terug in zelfverkozen isolatie. Pas in 1498, met het ontdekken van de zeeroute naar India door de Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama, waren directe handelsbetrekkingen met China weer mogelijk.

Jezuïeten
In het zestiende-eeuwse Europa nam het nog altijd legendarische Cathay een ietwat andere gedaante aan. Reisverslagen gaven hoog op van de vergevorderde rechtspraak en de religieuze tolerantie. In een Europa dat werd verscheurd door godsdienstoorlogen was dat een glimp van een onbereikbaar paradijs. Het waren nota bene de Jezuïeten die verslag deden van de rationalistische leer van Confucius, die ze gelijkstelden aan een ideale vorm van christendom. De eerste en invloedrijkste Jezuïet, Matteo Ricci, maakte zich de taal dermate eigen dat hij verschillende boeken kon schrijven die het respect van de mandarijnen verwierven. Ze waren daarentegen geschokt door zijn 'bijgeloof', dat ze geen haar beter vonden dan dat van de Boeddhisten en Taoïsten.
Hoewel de Portugezen en Spanjaarden enorme vrachten Chinees en Japans porselein naar Europa verscheepten, bleef de invloed daarvan op de Europese kunsten beperkt. Hier en daar verschenen pauwen, kraanvogels en exotische platen op vazen en ander gebruiksgoed. Het waren de Hollanders die de grote rage van 'chinoiserie' in Europa ontketenden. Nog tijdens de Tachtigjarige Oorlog namen Hollanders en Zeeuwen de Portugese handelsposten in India en China over: in 1580 was de kinderloze Portugese koning gesneuveld en had Philips II de troon bezet. Na de succesvolle veiling van de honderdduizend stuks porselein uit een buitgemaakte Portugese kraak bleek het verlangen naar 'porsselyn' zo groot, dat import daar niet aan kon voldoen. Hoewel in het Franse Nevers het eerste aardewerk met 'Chinese' motieven werd vervaardigd, werd vooral in Delft voorzien in nepporselein 'in den chineschen smaeck'. Hoewel het vergeleken met het voorbeeld lomp van vorm en cru van decoratie was, zagen de gretige kopers geen verschil met het echte werk.

Barok
Hoewel wit porselein met blauwe decoraties maar een bepaalde stijl in een bepaalde fase van de Chinese porseleinproductie is, waren de kleuren blauw-wit in het zeventiende-eeuws Europa synoniem met Cathay. Het allereerste chinoiseriebouwwerk was het Trianon de Porcelaine, door Lodewijk XIV gebouwd voor zijn maîtresse-en-titre Madame de Montespan, in het park van Versailles. Qua vorm was het een onmiskenbaar Europees gebouwtje, met zuilen en een fronton, maar beplaat met faïencetegels, volgens de beschrijving in heldere kleuren. Op gravures is absoluut niets Chinees of oosters aan te wijzen. Van binnen moet het geheel blauw en wit zijn geweest en het stond volgens beschrijvingen helemaal vol met meubels, serviezen en snuisterijen in Chinese stijl. In 1687 werd het al afgebroken, na nog geen zeventien jaar te hebben gestaan. De faience bleek niet bestand tegen het klimaat en restauratie bleek te kostbaar, hoewel ook zal hebben meegespeeld dat Madame de Montespan inmiddels plaats had moeten maken voor Madame de Maintenon.
Het eigenaardige is dat in heel Versailles geen chinoiserie te vinden is. Het is onwaarschijnlijk dat van de gehele inrichting niets bewaard is gebleven, dus moeten we ervan uitgaan dat spullen die destijds als toppunt van exotische smaak en uitzinnige vorm golden, voor ons niets meer zijn dan typische barokvormen en -decoraties. Wellicht ging een zwartgelakte stoel al door voor 'chinoiserie'.
Tegen het einde van de regeerperiode van de Zonnekoning, kort voor 1700, versoepelde de statige maar strenge barokstijl en maakte de oriëntatie op de klassieke oudheid plaats voor een intiemer, kleinschaliger decoratie met frivolere motieven. Hoewel de Oudheid aanwezig bleef in de vorm van putto's en nimfen, brak hiermee de gouden eeuw aan van de chinoiserie. Tussen grillig gedraaide boomstronken, bevolkt met langgetongde kraanvogels, keuvelden verveelde oosterlingen met pagodevormige hoofddeksels, navelkietelende snorren en de onvermijdelijke paardenstaarten, nippend aan kommetjes thee met aan de andere hand een papegaai, parasol of aapje. Het rococo was gedeeltelijk een voortzetting van de barok met andere middelen, maar vooral ook een speels en onwerkelijk tegengif voor de ondubbelzinnige wetmatigheden van die barok. En de al lang bestaande chinoiserie bepaalde mede de fantastische onwerkelijkheid van het rococo.

Lak aan de Japanners
Net zo populair en met minstens zoveel geheimzinnigheid omgeven als porselein in de barokperiode was lak. Het Engelse woord voor porselein is china en voor lakwerk is japan, hoewel in die tijd evenveel lakwerk uit China werd geïmporteerd als uit Japan - zij het dat de Japanse kwaliteit veel hoger was. Het geheim van de lak is de hars van een boom die alleen in Oost-Azië voorkomt, maar bepalend voor de kwaliteit is het aantal dunne lagen die op een meubel of kom worden aangebracht en gedeeltelijk weggeschuurd. De Aziaten konden de vraag naar lakwerk niet bijbenen en de Europeanen gingen op zoek naar vervangende materialen. De meestgebruikte is de zogeheten schellak, gemaakt van de hars van een Indiase boom. Overigens spreekt de Engelstalige wereld tegenwoordig van japanned als substituutlak wordt bedoeld, ter onderscheiding van lacquerware.
Kasten, klokken, serviezen, banken, raamwerken voor wandbespanningen, niets van hout was veilig voor de lakwoede die eind zeventiende en begin achttiende eeuw door Europa raasde. De beroemdste toepassing bevindt zich gek genoeg in Portugal, waar de chinoiserie lang niet zo woekerde als in Engeland, Frankrijk, Duitsland en Holland. De universiteitsbibliotheek van Coimbra, gebouwd tussen 1716-32 ter gelegenheid van het huwelijk tussen João V en Anna van Oostenrijk, is tussen het barokverguldsel door rijkelijk voorzien van in verschillende kleuren gelakte, houten bouwelementen: rode, groene, blauwe en zwarte kasten, randen, balken en steunen, versierd met gouden bloemslingers, exotische vogels en Chinese figuren.

Wit goud
Zelfs de Europeanen die zich geen zijdebehang, porseleinen theeservies of pagode in de tuin konden veroorloven, tuigden hun woning op met oosterse decoraties: Delfts Blauw, papierbehang en schellakmeubelen, meestal van Hollandse makelij. De adel stak echter enorme sommen gelds in de meest uitzinnige en soms ronduit bespottelijke chinoiserieën, variërend van een porseleinkabinet tot een tuintempel. In navolging van Versailles verrees in menig zomerpaleis een paviljoen dat bestemd was voor het onderbrengen van een collectie oosters porselein, aangevuld met Europees derivaat, of voor het nuttigen van thee.
De vervaardiging van porselein was door de Chinezen angstvallig geheimgehouden en daarom voor Europa met een waas van mystiek omgeven. Alchemisten zetten hun beslommeringen om de Steen der wijzen even opzij om de sleutel tot 'het witte goud' te vinden. Het was dan ook een alchemist die het geheim ontsluierde: in 1708 ontdekte Johann Friedrich Böttcher, hofalchemist van August de Sterke van Saksen, de porseleinfabricage. Saksen had daarmee een voorsprong die het nog altijd heeft. August, die de productie liet verplaatsen van Dresden naar Meissen, was een porseleinliefhebber zonder weerga en had een flinke collectie Chinees en Japans porselein opgekocht. In 1717 legde hij beslag op de woning van zijn veldmaarschalk Graf Flemming, twee jaar eerder gebouwd en om onduidelijke redenen 'Holländisches Palais' genaamd. Hofarchitect Pöppelmann verbouwde het interieur tot 'Porzellanschloss'. Tussen 1728-36 kreeg het drie vleugels, een op de hoeken ietwat omhoog krullend dak en een timpaanreliëf, voorstellende 'Hulde van de porseleinmakende volkeren aan Saxonia'. Sindsdien heet het 'Japanisches Palais', hoewel de atlanten op de binnenplaats en onderaan de trappen goedlachse, rondbuikige Chinezen zijn met die wonderlijke hoeden die in de achttiende eeuw doorgingen voor Chinees.
De inspirator van de rococostijl waarbinnen de chinoiserie zo perfect gedijde was Antoine Watteau. Hij maakte van de puur exotische, vreemde chinezigheden decoratiemotieven die galant, verfijnd en bevallig waren - eigenschappen die samenvielen met het hofleven in Frankrijk en daarmee in Europa. Het rococo-China was eens te meer een paradijs, een lustoord voor landerige adel die werkeloos rondhing in de vrije natuur, ver van de beslommeringen van de harde politieke en maatschappelijke werkelijkheid. 'Chinees' was alles wat krom was, wat afweek van de rechte lijn, kortom van de klassieke strengheid.

Pagoden en draken
Al was een paleis nog zo rigide symmetrisch, frontaal en axiaal gebouwd, er was altijd wel een dak omhoog te krullen of een lantaarn in een drakenmuil te frommelen. Het slot Bruchsaal werd in 1720 gebouwd voor kardinaal Damian Hugo von Schönborn, de prinsbisschop van Spiers. Slechts het smeedwerk van de hoeken der dakranden verraadt de modieuze voorliefde van Damiaan voor chinoiserie: boven zijn gekroonde initialen vliegt een gouden draak van onmiskenbaar Cathays voorkomen.
De asymmetrisch en voor het oog onregelmatig opgebouwde Engelse landschapstuin werd in Frankrijk de 'jardin anglo-chinois' genoemd, hoewel Chinese elementen er te enenmale in ontbreken. In die tuinen - en in de Franse tuinen - verrezen paviljoens die niet voor de eeuwigheid waren bestemd: vele gaven al na een paar jaar de geest. De betrokken architecten en timmerlui hadden weinig meer om op af te gaan dan de fantasierijke maar krakkemikkige bouwsels die ze op porseleinen borden zagen staan. Het wekt dan ook geen verbazing dat de duurzamer gebleken paviljoens een solide classicistisch chassis hadden waar kruldaken en geinig gevormde details tegenaan waren geplaatst. Zie bijvoorbeeld de 'Chinesischen Teehäuschen' bij het 'Fasanenschlösschen', ergens achter in de slottuin van Karlsruhe: twee kubusjes waarop palmbomen tussen de afgeronde raampjes geschilderd zijn. Mandarijn met parasol erop, klaar. Het waren overigens houtvestershuisjes, vermomd als theepaviljoens.
Frederik de Grote van Pruisen is volgens de overlevering de ontwerper van het befaamde theehuis in de slottuinen van Sanssouci. In werkelijkheid ontwierp hofarchitect Büring dit innemende rococopaleisje met typische asymmetrische plattegrond en afwisseling van holle en bolle lijnen. Het Chinese schuilt in de schilderingen en de sculptuur. Het gebouwtje wordt omgeven door tientallen levensgrote Chinezen van vergulde zandsteen: de zuilen zijn palmbomen waaronder groepjes oosterlingen theedrinken, en voorts rijen zich nog figuren aaneen met onmiskenbaar Europese gelaatstrekken wier hoofdeksels nog wonderlijker zijn dan de muziekinstrumenten die ze vasthouden.
De plafondschilderingen van Frederiks theepaviljoen vallen onder een speciale afdeling van rococo-chinoiserie, eveneens bedacht door Watteau: de singerie, waarbij apen de rol van mensen spelen. Hier zijn de apen met handelingen bezig die we mensen niet zo gauw zien doen. Zo is er de aap die door een hoepel springt die hij zelf vasthoudt. Volgens weer de overlevering is deze schildering door Frederik bedoeld als satire op de filosoof Voltaire, die in die jaren aan het Pruisische hof verbleef en regelmatig aanvaringen had met zijn mecenas.
Singerie is een van de wonderlijkste facetten van rococo en van chinoiserie. Waarom apen met China werden geassocieerd is een van de vele raadsels die de legendevorming rond het mythische Cathay omgeven.



II. De tandeloze jaden draak

August de Sterke, keurvorst van Saksen en koning van Polen, was een onverbiddelijk bewonderaar van China en Japan, de landen waar zijn geliefde porselein vandaan kwam. Toen Böttcher in zijn opdracht het geheime procédé van de porseleinproductie ontrafelde en 'het witte goud' ook in Europa gemaakt kon worden, gaf August zijn Chinaliefde ruim baan. Het moest wel een hobby blijven, dus de keurvorstelijke residentie en belendende staatsgebouwen in Dresden bleven verschoond van chinoiserie, maar het nieuwe onderkomen voor zijn porseleincollectie werd 'verchineesd' met lichtelijk gebogen daken en lekker veel sculpturen met hangsnorren en bizarre hoofddeksels.
Ook Augusts nieuwe buitenverblijf moest eraan geloven. Even stroomopwaarts aan de Elbe, bij het dorpje Pillnitz, had de keurvorst zijn favoriet gravin Cosel ondergebracht. Toen zij in 1720 in ongenade viel, gaf hij zijn hofarchitect Pöppelmann opdracht een 'lustslot voor park- en waterfeesten' in te richten. Nog voor 1725 ontstonden respectievelijk het 'Wasserpalais' en het 'Bergpalais', met ietwat uitgesprokener gebogen dakvormen, waaronder een brede rand is beschilderd met monochrome processies van Chinezen. Ze schijnen net zo weinig zinvols om handen te hebben als de deelnemers aan de park- en waterfeesten, die hier in een 'Chinese boot', een rococo-jonk, aanlegden.
Een kleine eeuw later, in 1804, liet een nazaat van De Sterke hier nog een theehuis aan toevoegen in een inmiddels overtuigender Chinese stijl. Architect Schuricht baseerde zijn 'Chinesischer Pavillon' op de in Chinese kwesties maatgevend geworden pagode die William Chambers ontwierp voor de Koninklijke Botanische Tuinen in Kew, Richmond, onderhand een voorstad van Londen. Chambers' pagode uit 1761-62 heeft weinig met Chinese voorbeelden van doen: het is een opvallend star monument voor de Chinagekte, die een exotisch tegenbeeld gaf van de Europese cultuur, waarbij de oorspronkelijke aanleiding er niet meer toe deed. In chinoiserieën zag de Europeaan zich als het ware negatief weerspiegeld; hoe meer bizar de voorstellingen en hoe krakkemikkiger de bouwsels, hoe meer hij zich geschraagd wist door de rigide klassieke fundamenten van zijn eigen beschaving. De ledigheid waarin de afgebeelde Chinezen zich altijd wentelen, weerspiegelt daarentegen het Europese geloof in de rust en welvaart die de als ideaal beschouwde Chinese rechtspraak en maatschappijstructuur garandeerden.

Wuivende aap
Natuurlijk waren de paleizen en interieurs, de meubels en het aardewerk die de Chinagekte voorbracht nooit letterlijk theoretisch gefundeerd: voor alles zijn ze gemaakt met veel geestdrift en zin voor woekerend ornament. Overal in Europa werden tuinen, paleizen, zalen en meubels versierd met Chinese en Japanse voorstellingen, die Chinees, Indiaans (Indisch) of Perzisch werden genoemd. Veel ervan is verdwenen in opeenvolgende modegolven, zoals het befaamde 'Indianisches Haus' bij slot Brühl, waarvan alleen nog een wuivende ijzeren aap met zonnescherm rest. Het Engelse landgoed Woburn Abbey siert nog een Chinees melkhuisje van Henry Holland, Sanssouci in Potsdam kreeg in 1770 een 'Drachenhaus' bij wijze van wijngaardenierswoning, zelfs Oud-Amelisweerd heeft fraai 'Chinees' behang (in bruikleen van het Centraal Museum), maar het buiten van de Zweedse koningen in Drottningholm is het chineest van allemaal.
Het paleisje Drottningholm, een van de acht koninklijke 'maisons de plaisance' in de omgeving van Stockholm, heeft een Chinees paviljoen in perfecte, bijna oorspronkelijke staat. Het was een verrassingsgeschenkje van de befaamde kunstverzamelaar Carl Gustaf Tessin voor kroonprinses Lovisa Ulrica. Op 24 juli 1753 werd een Chinees paviljoen, gebouwd op de scheepswerf van de Admiraliteit in Stockholm, op vlotten naar het lustslot vervoerd en stiekem op de helling van een heuvel neergezet. Voor de officiële opening werden jonge legerofficieren 'Chinees' gedrild, 'hetgeen tamelijk bespottelijk was', zoals een van de aanwezigen het uitdrukte. De cadetten waren Chinees gekleed, evenals het hoforkest. De kroonprins en de vier pages van de koning kwamen als mandarijnen. Helaas werd het paviljoen al snel overgenomen door de houtwormen, zodat het tien jaar later vervangen moest worden door een geheel nieuw exemplaar.
De chinamode was voor een belangrijk deel geassocieerd met de rage om thee te drinken, want theepotten, theeserviezen en theepaviljoens kregen als vanzelf een Chinees uiterlijk. Ook theehandels adverteerden met het exotische land van herkomst, zoals in de gevel van Twinings in Londen uit 1786 nog altijd te zien is. Nergens beklijfde de theemode hardnekkiger en wijder verbreid dan in Engeland, wellicht reden dat de spaarzame voorbeelden van vroeg-negentiende-eeuwse chinoiserie in dat land te vinden zijn. De Franse revolutie leek namelijk ook de chinoiserie een kopje kleiner te hebben gemaakt.
In 1812 dwong de Hertog van Wellington de Franse legers om het beleg van Cadíz op te geven. De dankbare Spanjaarden eerden de hertog met een uitgewerkte bronzen mortier in de vorm van een Chinese draak, die natuurlijk nooit is uitgeprobeerd, maar als monument op de erehof van de Horse Guards aan de Londense Strand staat. Rond die tijd was de prins-regent druk doende met zijn enorme buiten in Brighton. Het werd in zijn favoriete 'hindoestaanse' stijl verbouwd door hofarchitect John Nash (1815-21), maar toen de buitenkant er met zijn vele uitzinnige torentjes en uivormige koepels eenmaal stond, was hij alweer uitgekeken op India. Het interieur werd daarom Chinees, met als hoogtepunt de banketzaal, die gedomineerd wordt door de gigantische kroonluchter: onder breed uitwaaierende, vergulde palmtakken houdt een koperen draak in volle vlucht de luchter vast, waarvan de kelken door glazen draken van kleiner allooi worden gedragen. Het magnifieke, maar absurde apparaat kostte de prins, de latere George IV, het voor die tijd kolossale bedrag van vijfduizend pond.

Wederopstanding
Dergelijke spaarzame nazaten daargelaten, was de chinoiserie met het ancien régime gestorven. De wederopstanding vond dan ook niet in de boezem van de adel plaats. Het is veelzeggend dat de Beierse koning Ludwig II, die zijn koningschap in voor-democratische tijden situeerde, in 1886 een Chinees zomerpaleis liet ontwerpen. Het is even veelzeggend dat het zelfs niet tot een eerstesteenlegging kwam. Nee, de wedergeboorte van de chinoiserie was een bijproduct van de Japanmode, die volgde op de openstelling van Japan in 1863, en speelde zich van meet af aan af in de massacultuur die Ludwig zo verafschuwde.
Uitzonderlijke voorbeelden vinden we gewoon op straat, in de winkelarchitectuur die in Europa vanaf ongeveer 1880 een grote hausse beleefde. Regen- en zonneschermen werden in de populaire cultuur, net als thee, met het zonnige China geassocieerd. Oude parapluwinkels hebben nog vaak een paraplu of -sol buiten hangen, gedragen door een Chinese draak. Midden in Venetië houdt er een wel drie schermen omhoog en op de Ramblas in Barcelona kronkelt er een boven een toegevouwen plu uit, met een waaier op de rug en een 'bamboe'-lantaarn in de klauwen. De puien (uit 1883-84) zijn voorts nog opgesierd met Chinees-Japanse figuren.
De burgerij van de negentiende eeuw spiegelde zich aan de cultuur van de achttiende-eeuwse adel en adopteerde al haar deugden en ondeugden, inclusief de smaak voor exotische waanvoorstellingen. China was in de tussentijd echter een heel stuk dichterbij gekomen en het beeld van de Chinese beschaving was in westerse ogen diepgaand veranderd. Wij keken niet meer op tegen een in moreel en ethisch superieur geachte beschaving. Zo onschuldig was de verhouding tussen Europeanen en verre volkeren niet meer. Een agressief imperialisme ging gepaard met Europees superioriteitsgevoel, maar eveneens met oprechte, wetenschappelijke interesse in verre streken en vreemde volkeren. Na twee opiumoorlogen en een bokseroorlog was het ooit zo machtige Cathay begin twintigste eeuw een tandeloze draak, die machteloos moest toezien hoe haar rijkdommen richting Europa vloeiden door afgedwongen, ongunstige handelsverdragen.
Wat wij daar van merkten was een nieuwe rol van het Verre Oosten in de reclame. Vooral natuurlijk thee (hoewel die vaak uit India kwam), maar ook allerhande producten als bonbons werden aangeprezen met Chinezen in een doorgaans dienende rol. De begaafde Ludwig Hohlwein uit München ontwierp voor Marco Polo Tee en Riquet Pralinen schitterende affiches met een moderne stilering, waarop de wijze mandarijn van weleer heeft plaatsgemaakt voor dienstbare Chinese vrouwen en jongetjes.
De onbeschaamde heroriëntering van de art déco-jaren op het rococo bracht ook de chinoiserie weer voor het voetlicht. Kronkelende draken torsten Parijse balkons en de Royal Doulton-fabriek in Staffordshire gebruikte geflambeerd 'Sung'-glazuur voor de felle kleuren op vazen van onmiskenbaar Chinese vorm, compleet met overkragend deksel. Susi Singer vervaardigde lieftallige aardewerken Chineesjes voor de Wiener Werkstätte. Juvenia bracht een tafelklok uit in de vorm van een pagode.

Mysterieuze klok
De art déco-smaak voor uitgesproken, contrasterende kleuren, simpele vormen en luxe materialen gaf een verdere impuls aan chinoiserie: jade en zwarte onyx of lak leverden de gewenste kleurstelling groen/zwart op die we zien in de sieraden van Georges Fouquet en Cartier. Maurice Couët maakte voor Cartier een 'mysterieuze klok' (met onzichtbaar bewegend uurwerk) in de vorm van een Japanse sjinto-poort: het uurwerk (met jade wijzerplaat) moet tussen de benen (jade met koraal) omhooggeschoven en zakt onmerkbaar weer omlaag. Voor Roger & Gallets parfum 'Le jade' ontwierp René Lalique in 1926 een groen glazen flesje in de vorm van een Chinees snuifflesje, dat verpakt werd in een zwarte doos met zijden kwast. Andere parfumflesjes uit die kregen de gedaante van een olifant, een zittende boeddha of een Chinese hoed en namen als 'Ming Toy' en 'Chin-Li'.
In ons land waren dergelijke frivoliteiten destijds volledig ondergeschikt aan de ernstige verbetenheid waarmee zowel moderne ideologie als traditioneel geloof werden beleden. In het heilig hart van katholiek Nederland pronkt nog altijd een stukje chinoiserie van internationale allure. Aan de Verlengde Groenestraat in Nijmegen staat het 'Missiehuis Bisschop Hamer van de Missionarissen van Scheut'. Deze missionarissen waren tot China beroepen en Monseigneur Hamer verloor daar het hoofd tijdens de Bokseropstand van 1900, die tegen de buitenlandse invloed in China was gericht. Elders in Nijmegen staat een monument voor hem, maar het voor het overige onopvallende missiehuis uit 1924 is gesierd met een spetterende, oranjerode pagode van twee verdiepingen op het dak.
Aan alle goede dingen komt een eind en zo ook aan het kolonialisme. Mao maakte een definitief einde aan de koloniale uitbuiting van China. Afgezien van een kortstondige flirt van Europese intellectuelen met de Culturele Revolutie, toen een Mao-affiche en een Rood Boekje menige studentenflat sierden, is de chinoiserie daarmee uit het Avondland verdwenen.

Origine 4 en 5, 2002