Michel Didier 2002
Chinoiserie is de benaming voor alle Europese cultuuruitingen die zich op
het Verre Oosten inspireren. Het is een verzamelterm voor alles wat in Europa
is gemaakt onder invloed van het verre oosten. China, Japan, India, zelfs Perzië
- alles heette 'Chinees'. Vaak had dat weinig of niets met het echte Azië
te maken; chinoiserie is simpelweg de uiting van het verlangen naar een paradijselijke
wereld die Europa niet was.
Het was de grote rage in de achttiende eeuw, maar is eigenlijk nooit weggeweest
uit de exotische inspiratie voor ontwerpers en architecten. De grootste opleving
kende het genre in de jaren twintig van de vorige eeuw, maar ook Mao-pakjes
en Rode Boekjes zijn nog even exotisch geweest.
De Romeinen hadden al handelscontacten met China. Via Perzië importeerden
zij vooral zijde: de honger naar die kostbare, vederlichte stof was nagenoeg
onstilbaar gedurende de hele periode van het keizerrijk. Ook na de val van Rome
werd de import voortgezet, naar Constantinopel ditmaal. Keizer Justinianus probeerde
de fortuinenverslindende mode een halt toe re roepen door een vaste prijs door
te voeren, maar de Perzische handelaren lieten zich de lucratieve handel niet
afnemen. Dus namen Byzantijnse monniken op een geheime missie een aantal zijderupsen
mee, volgens de overlevering verstopt in uitgeholde wandelstokken.
De zijderupsenteelt werd een doorslaand succes en de Byzantijnen van het Oost-Romeinse
rijk waren verzekerd van hun geliefde zijde. Ter decoratie pasten zij waarschijnlijk
via Syrië uit China afkomstige motieven toe als pauwen, draken en fabeldieren.
Elfde-eeuwse ornamenten, tot in Troyes en Saint-Denis toe, verraden een Chinese
inspiratie. De Romeinse naam voor zijderups, sereca, is afgeleid van de Griekse
benaming voor China. Gedurende de Middeleeuwen waren er nauwelijks en dan nog
zeer indirecte contacten met China, zodat een in de Europese voorstelling een
legendarisch rijk voorbij India ontkiemde, Cathay genaamd, waar wonderbaarlijke
mensen toefden tussen een fabelachtige natuur met extravagante planten en dieren.
De eerste reiziger die de wonderen van Cathay ontvouwde in al hun ongelofelijke
pracht was de Venetiaan Marco Polo, die van 1271 tot 1297 door China reisde,
waarvan zeventien jaar aan het hof van Koeblai Chan, kleinzoon van de Mongoolse
veroveraar Dzjengis Chan en de eerste keizer van de Yuan-dynastie.
Omdat Polo analfabeet was, schreef hij zijn verhalen bij thuiskomst niet op,
maar kort na zijn aankomst werd hij door de Genuezen krijgsgevangen gemaakt
en in zijn cel deelde hij zijn wederwaardigheden mee aan een celgenoot uit Pisa.
Deze Rustichello schreef alles op en fantaseerde er nog heel wat bij. Hoewel
het grootste deel van het later gepubliceerde boek op waarheid berustte, kreeg
het de bijnaam 'Il Milione' - doelend op de miljoen wonderen - of leugens -
die Polo bij elkaar had verzonnen. In de zes daaropvolgende eeuwen bleek beetje
bij beetje dat de Venetiaan tamelijk accuraat was geweest - sommige van de door
hem beschreven steden werden pas in de negentiende eeuw voor het eerst weer
door een Europeaan bezocht.
Natuurlijk konden dertiende-eeuwse Europeanen geen geloof hechten aan verhalen
over steden die mooier, groter en welvarender waren dan Venetië, net zomin
als de Chinese keizer Chien Lung in de achttiende eeuw in het bestaan van een
rijk en beschaafd Europa geloven. Maar 'Il Milione' voedde de legende van het
rijke en fabelachtige Cathay aan het eind van de wereld, een legende die de
vorm aannam van een paradijs, een beschaving zoals Europa dat nog lang niet
was, met een wijs bestuur en verfijnde omgangsvormen.
Het veruit populairste boek van de Middeleeuwen, 'De reizen van Sir John Mandeville',
bleek pas vijf eeuwen later een complete vervalsing te zijn. De schrijver, waarschijnlijk
Jean d'Outremeuse, was nooit in het door hem gedetailleerd beschreven Cathay
geweest. Behalve beschrijvingen van vreemde wezens met ogen in hun voorhoofd,
met paardenhoeven of met bovenlippen van een formaat waarmee ze hun gezicht
tegen de zon konden beschermen, geeft 'Mandeville' een indruk van onmetelijke
rijkdom: het paleis van de Grote Chan is geheel bedekt met goud, parels en edelstenen;
vloeren en zuilen zijn met zilver bedekt.
Mandeville werd populair op het moment dat de deuren naar het verre oosten werden
gesloten: alle Europeanen werd de toegang ontzegd en China trok zich terug in
zelfverkozen isolatie. Pas in 1498, met het ontdekken van de zeeroute naar India
door de Portugese ontdekkingsreiziger Vasco da Gama, waren directe handelsbetrekkingen
met China weer mogelijk.
Jezuïeten
In het zestiende-eeuwse Europa nam het nog altijd legendarische Cathay een ietwat
andere gedaante aan. Reisverslagen gaven hoog op van de vergevorderde rechtspraak
en de religieuze tolerantie. In een Europa dat werd verscheurd door godsdienstoorlogen
was dat een glimp van een onbereikbaar paradijs. Het waren nota bene de Jezuïeten
die verslag deden van de rationalistische leer van Confucius, die ze gelijkstelden
aan een ideale vorm van christendom. De eerste en invloedrijkste Jezuïet,
Matteo Ricci, maakte zich de taal dermate eigen dat hij verschillende boeken
kon schrijven die het respect van de mandarijnen verwierven. Ze waren daarentegen
geschokt door zijn 'bijgeloof', dat ze geen haar beter vonden dan dat van de
Boeddhisten en Taoïsten.
Hoewel de Portugezen en Spanjaarden enorme vrachten Chinees en Japans porselein
naar Europa verscheepten, bleef de invloed daarvan op de Europese kunsten beperkt.
Hier en daar verschenen pauwen, kraanvogels en exotische platen op vazen en
ander gebruiksgoed. Het waren de Hollanders die de grote rage van 'chinoiserie'
in Europa ontketenden. Nog tijdens de Tachtigjarige Oorlog namen Hollanders
en Zeeuwen de Portugese handelsposten in India en China over: in 1580 was de
kinderloze Portugese koning gesneuveld en had Philips II de troon bezet. Na
de succesvolle veiling van de honderdduizend stuks porselein uit een buitgemaakte
Portugese kraak bleek het verlangen naar 'porsselyn' zo groot, dat import daar
niet aan kon voldoen. Hoewel in het Franse Nevers het eerste aardewerk met 'Chinese'
motieven werd vervaardigd, werd vooral in Delft voorzien in nepporselein 'in
den chineschen smaeck'. Hoewel het vergeleken met het voorbeeld lomp van vorm
en cru van decoratie was, zagen de gretige kopers geen verschil met het echte
werk.
Barok
Hoewel wit porselein met blauwe decoraties maar een bepaalde stijl in een bepaalde
fase van de Chinese porseleinproductie is, waren de kleuren blauw-wit in het
zeventiende-eeuws Europa synoniem met Cathay. Het allereerste chinoiseriebouwwerk
was het Trianon de Porcelaine, door Lodewijk XIV gebouwd voor zijn maîtresse-en-titre
Madame de Montespan, in het park van Versailles. Qua vorm was het een onmiskenbaar
Europees gebouwtje, met zuilen en een fronton, maar beplaat met faïencetegels,
volgens de beschrijving in heldere kleuren. Op gravures is absoluut niets Chinees
of oosters aan te wijzen. Van binnen moet het geheel blauw en wit zijn geweest
en het stond volgens beschrijvingen helemaal vol met meubels, serviezen en snuisterijen
in Chinese stijl. In 1687 werd het al afgebroken, na nog geen zeventien jaar
te hebben gestaan. De faience bleek niet bestand tegen het klimaat en restauratie
bleek te kostbaar, hoewel ook zal hebben meegespeeld dat Madame de Montespan
inmiddels plaats had moeten maken voor Madame de Maintenon.
Het eigenaardige is dat in heel Versailles geen chinoiserie te vinden is. Het
is onwaarschijnlijk dat van de gehele inrichting niets bewaard is gebleven,
dus moeten we ervan uitgaan dat spullen die destijds als toppunt van exotische
smaak en uitzinnige vorm golden, voor ons niets meer zijn dan typische barokvormen
en -decoraties. Wellicht ging een zwartgelakte stoel al door voor 'chinoiserie'.
Tegen het einde van de regeerperiode van de Zonnekoning, kort voor 1700, versoepelde
de statige maar strenge barokstijl en maakte de oriëntatie op de klassieke
oudheid plaats voor een intiemer, kleinschaliger decoratie met frivolere motieven.
Hoewel de Oudheid aanwezig bleef in de vorm van putto's en nimfen, brak hiermee
de gouden eeuw aan van de chinoiserie. Tussen grillig gedraaide boomstronken,
bevolkt met langgetongde kraanvogels, keuvelden verveelde oosterlingen met pagodevormige
hoofddeksels, navelkietelende snorren en de onvermijdelijke paardenstaarten,
nippend aan kommetjes thee met aan de andere hand een papegaai, parasol of aapje.
Het rococo was gedeeltelijk een voortzetting van de barok met andere middelen,
maar vooral ook een speels en onwerkelijk tegengif voor de ondubbelzinnige wetmatigheden
van die barok. En de al lang bestaande chinoiserie bepaalde mede de fantastische
onwerkelijkheid van het rococo.
Lak aan de Japanners
Net zo populair en met minstens zoveel geheimzinnigheid omgeven als porselein
in de barokperiode was lak. Het Engelse woord voor porselein is china en voor
lakwerk is japan, hoewel in die tijd evenveel lakwerk uit China werd geïmporteerd
als uit Japan - zij het dat de Japanse kwaliteit veel hoger was. Het geheim
van de lak is de hars van een boom die alleen in Oost-Azië voorkomt, maar
bepalend voor de kwaliteit is het aantal dunne lagen die op een meubel of kom
worden aangebracht en gedeeltelijk weggeschuurd. De Aziaten konden de vraag
naar lakwerk niet bijbenen en de Europeanen gingen op zoek naar vervangende
materialen. De meestgebruikte is de zogeheten schellak, gemaakt van de hars
van een Indiase boom. Overigens spreekt de Engelstalige wereld tegenwoordig
van japanned als substituutlak wordt bedoeld, ter onderscheiding van lacquerware.
Kasten, klokken, serviezen, banken, raamwerken voor wandbespanningen, niets
van hout was veilig voor de lakwoede die eind zeventiende en begin achttiende
eeuw door Europa raasde. De beroemdste toepassing bevindt zich gek genoeg in
Portugal, waar de chinoiserie lang niet zo woekerde als in Engeland, Frankrijk,
Duitsland en Holland. De universiteitsbibliotheek van Coimbra, gebouwd tussen
1716-32 ter gelegenheid van het huwelijk tussen João V en Anna van Oostenrijk,
is tussen het barokverguldsel door rijkelijk voorzien van in verschillende kleuren
gelakte, houten bouwelementen: rode, groene, blauwe en zwarte kasten, randen,
balken en steunen, versierd met gouden bloemslingers, exotische vogels en Chinese
figuren.
Wit goud
Zelfs de Europeanen die zich geen zijdebehang, porseleinen theeservies of pagode
in de tuin konden veroorloven, tuigden hun woning op met oosterse decoraties:
Delfts Blauw, papierbehang en schellakmeubelen, meestal van Hollandse makelij.
De adel stak echter enorme sommen gelds in de meest uitzinnige en soms ronduit
bespottelijke chinoiserieën, variërend van een porseleinkabinet tot
een tuintempel. In navolging van Versailles verrees in menig zomerpaleis een
paviljoen dat bestemd was voor het onderbrengen van een collectie oosters porselein,
aangevuld met Europees derivaat, of voor het nuttigen van thee.
De vervaardiging van porselein was door de Chinezen angstvallig geheimgehouden
en daarom voor Europa met een waas van mystiek omgeven. Alchemisten zetten hun
beslommeringen om de Steen der wijzen even opzij om de sleutel tot 'het witte
goud' te vinden. Het was dan ook een alchemist die het geheim ontsluierde: in
1708 ontdekte Johann Friedrich Böttcher, hofalchemist van August de Sterke
van Saksen, de porseleinfabricage. Saksen had daarmee een voorsprong die het
nog altijd heeft. August, die de productie liet verplaatsen van Dresden naar
Meissen, was een porseleinliefhebber zonder weerga en had een flinke collectie
Chinees en Japans porselein opgekocht. In 1717 legde hij beslag op de woning
van zijn veldmaarschalk Graf Flemming, twee jaar eerder gebouwd en om onduidelijke
redenen 'Holländisches Palais' genaamd. Hofarchitect Pöppelmann verbouwde
het interieur tot 'Porzellanschloss'. Tussen 1728-36 kreeg het drie vleugels,
een op de hoeken ietwat omhoog krullend dak en een timpaanreliëf, voorstellende
'Hulde van de porseleinmakende volkeren aan Saxonia'. Sindsdien heet het 'Japanisches
Palais', hoewel de atlanten op de binnenplaats en onderaan de trappen goedlachse,
rondbuikige Chinezen zijn met die wonderlijke hoeden die in de achttiende eeuw
doorgingen voor Chinees.
De inspirator van de rococostijl waarbinnen de chinoiserie zo perfect gedijde
was Antoine Watteau. Hij maakte van de puur exotische, vreemde chinezigheden
decoratiemotieven die galant, verfijnd en bevallig waren - eigenschappen die
samenvielen met het hofleven in Frankrijk en daarmee in Europa. Het rococo-China
was eens te meer een paradijs, een lustoord voor landerige adel die werkeloos
rondhing in de vrije natuur, ver van de beslommeringen van de harde politieke
en maatschappelijke werkelijkheid. 'Chinees' was alles wat krom was, wat afweek
van de rechte lijn, kortom van de klassieke strengheid.
Pagoden en draken
Al was een paleis nog zo rigide symmetrisch, frontaal en axiaal gebouwd, er
was altijd wel een dak omhoog te krullen of een lantaarn in een drakenmuil te
frommelen. Het slot Bruchsaal werd in 1720 gebouwd voor kardinaal Damian Hugo
von Schönborn, de prinsbisschop van Spiers. Slechts het smeedwerk van de
hoeken der dakranden verraadt de modieuze voorliefde van Damiaan voor chinoiserie:
boven zijn gekroonde initialen vliegt een gouden draak van onmiskenbaar Cathays
voorkomen.
De asymmetrisch en voor het oog onregelmatig opgebouwde Engelse landschapstuin
werd in Frankrijk de 'jardin anglo-chinois' genoemd, hoewel Chinese elementen
er te enenmale in ontbreken. In die tuinen - en in de Franse tuinen - verrezen
paviljoens die niet voor de eeuwigheid waren bestemd: vele gaven al na een paar
jaar de geest. De betrokken architecten en timmerlui hadden weinig meer om op
af te gaan dan de fantasierijke maar krakkemikkige bouwsels die ze op porseleinen
borden zagen staan. Het wekt dan ook geen verbazing dat de duurzamer gebleken
paviljoens een solide classicistisch chassis hadden waar kruldaken en geinig
gevormde details tegenaan waren geplaatst. Zie bijvoorbeeld de 'Chinesischen
Teehäuschen' bij het 'Fasanenschlösschen', ergens achter in de slottuin
van Karlsruhe: twee kubusjes waarop palmbomen tussen de afgeronde raampjes geschilderd
zijn. Mandarijn met parasol erop, klaar. Het waren overigens houtvestershuisjes,
vermomd als theepaviljoens.
Frederik de Grote van Pruisen is volgens de overlevering de ontwerper van het
befaamde theehuis in de slottuinen van Sanssouci. In werkelijkheid ontwierp
hofarchitect Büring dit innemende rococopaleisje met typische asymmetrische
plattegrond en afwisseling van holle en bolle lijnen. Het Chinese schuilt in
de schilderingen en de sculptuur. Het gebouwtje wordt omgeven door tientallen
levensgrote Chinezen van vergulde zandsteen: de zuilen zijn palmbomen waaronder
groepjes oosterlingen theedrinken, en voorts rijen zich nog figuren aaneen met
onmiskenbaar Europese gelaatstrekken wier hoofdeksels nog wonderlijker zijn
dan de muziekinstrumenten die ze vasthouden.
De plafondschilderingen van Frederiks theepaviljoen vallen onder een speciale
afdeling van rococo-chinoiserie, eveneens bedacht door Watteau: de singerie,
waarbij apen de rol van mensen spelen. Hier zijn de apen met handelingen bezig
die we mensen niet zo gauw zien doen. Zo is er de aap die door een hoepel springt
die hij zelf vasthoudt. Volgens weer de overlevering is deze schildering door
Frederik bedoeld als satire op de filosoof Voltaire, die in die jaren aan het
Pruisische hof verbleef en regelmatig aanvaringen had met zijn mecenas.
Singerie is een van de wonderlijkste facetten van rococo en van chinoiserie.
Waarom apen met China werden geassocieerd is een van de vele raadsels die de
legendevorming rond het mythische Cathay omgeven.
August de Sterke, keurvorst van Saksen en koning van Polen, was een onverbiddelijk
bewonderaar van China en Japan, de landen waar zijn geliefde porselein vandaan
kwam. Toen Böttcher in zijn opdracht het geheime procédé
van de porseleinproductie ontrafelde en 'het witte goud' ook in Europa gemaakt
kon worden, gaf August zijn Chinaliefde ruim baan. Het moest wel een hobby blijven,
dus de keurvorstelijke residentie en belendende staatsgebouwen in Dresden bleven
verschoond van chinoiserie, maar het nieuwe onderkomen voor zijn porseleincollectie
werd 'verchineesd' met lichtelijk gebogen daken en lekker veel sculpturen met
hangsnorren en bizarre hoofddeksels.
Ook Augusts nieuwe buitenverblijf moest eraan geloven. Even stroomopwaarts aan
de Elbe, bij het dorpje Pillnitz, had de keurvorst zijn favoriet gravin Cosel
ondergebracht. Toen zij in 1720 in ongenade viel, gaf hij zijn hofarchitect
Pöppelmann opdracht een 'lustslot voor park- en waterfeesten' in te richten.
Nog voor 1725 ontstonden respectievelijk het 'Wasserpalais' en het 'Bergpalais',
met ietwat uitgesprokener gebogen dakvormen, waaronder een brede rand is beschilderd
met monochrome processies van Chinezen. Ze schijnen net zo weinig zinvols om
handen te hebben als de deelnemers aan de park- en waterfeesten, die hier in
een 'Chinese boot', een rococo-jonk, aanlegden.
Een kleine eeuw later, in 1804, liet een nazaat van De Sterke hier nog een theehuis
aan toevoegen in een inmiddels overtuigender Chinese stijl. Architect Schuricht
baseerde zijn 'Chinesischer Pavillon' op de in Chinese kwesties maatgevend geworden
pagode die William Chambers ontwierp voor de Koninklijke Botanische Tuinen in
Kew, Richmond, onderhand een voorstad van Londen. Chambers' pagode uit 1761-62
heeft weinig met Chinese voorbeelden van doen: het is een opvallend star monument
voor de Chinagekte, die een exotisch tegenbeeld gaf van de Europese cultuur,
waarbij de oorspronkelijke aanleiding er niet meer toe deed. In chinoiserieën
zag de Europeaan zich als het ware negatief weerspiegeld; hoe meer bizar de
voorstellingen en hoe krakkemikkiger de bouwsels, hoe meer hij zich geschraagd
wist door de rigide klassieke fundamenten van zijn eigen beschaving. De ledigheid
waarin de afgebeelde Chinezen zich altijd wentelen, weerspiegelt daarentegen
het Europese geloof in de rust en welvaart die de als ideaal beschouwde Chinese
rechtspraak en maatschappijstructuur garandeerden.
Wuivende aap
Natuurlijk waren de paleizen en interieurs, de meubels en het aardewerk die
de Chinagekte voorbracht nooit letterlijk theoretisch gefundeerd: voor alles
zijn ze gemaakt met veel geestdrift en zin voor woekerend ornament. Overal in
Europa werden tuinen, paleizen, zalen en meubels versierd met Chinese en Japanse
voorstellingen, die Chinees, Indiaans (Indisch) of Perzisch werden genoemd.
Veel ervan is verdwenen in opeenvolgende modegolven, zoals het befaamde 'Indianisches
Haus' bij slot Brühl, waarvan alleen nog een wuivende ijzeren aap met zonnescherm
rest. Het Engelse landgoed Woburn Abbey siert nog een Chinees melkhuisje van
Henry Holland, Sanssouci in Potsdam kreeg in 1770 een 'Drachenhaus' bij wijze
van wijngaardenierswoning, zelfs Oud-Amelisweerd heeft fraai 'Chinees' behang
(in bruikleen van het Centraal Museum), maar het buiten van de Zweedse koningen
in Drottningholm is het chineest van allemaal.
Het paleisje Drottningholm, een van de acht koninklijke 'maisons de plaisance'
in de omgeving van Stockholm, heeft een Chinees paviljoen in perfecte, bijna
oorspronkelijke staat. Het was een verrassingsgeschenkje van de befaamde kunstverzamelaar
Carl Gustaf Tessin voor kroonprinses Lovisa Ulrica. Op 24 juli 1753 werd een
Chinees paviljoen, gebouwd op de scheepswerf van de Admiraliteit in Stockholm,
op vlotten naar het lustslot vervoerd en stiekem op de helling van een heuvel
neergezet. Voor de officiële opening werden jonge legerofficieren 'Chinees'
gedrild, 'hetgeen tamelijk bespottelijk was', zoals een van de aanwezigen het
uitdrukte. De cadetten waren Chinees gekleed, evenals het hoforkest. De kroonprins
en de vier pages van de koning kwamen als mandarijnen. Helaas werd het paviljoen
al snel overgenomen door de houtwormen, zodat het tien jaar later vervangen
moest worden door een geheel nieuw exemplaar.
De chinamode was voor een belangrijk deel geassocieerd met de rage om thee te
drinken, want theepotten, theeserviezen en theepaviljoens kregen als vanzelf
een Chinees uiterlijk. Ook theehandels adverteerden met het exotische land van
herkomst, zoals in de gevel van Twinings in Londen uit 1786 nog altijd te zien
is. Nergens beklijfde de theemode hardnekkiger en wijder verbreid dan in Engeland,
wellicht reden dat de spaarzame voorbeelden van vroeg-negentiende-eeuwse chinoiserie
in dat land te vinden zijn. De Franse revolutie leek namelijk ook de chinoiserie
een kopje kleiner te hebben gemaakt.
In 1812 dwong de Hertog van Wellington de Franse legers om het beleg van Cadíz
op te geven. De dankbare Spanjaarden eerden de hertog met een uitgewerkte bronzen
mortier in de vorm van een Chinese draak, die natuurlijk nooit is uitgeprobeerd,
maar als monument op de erehof van de Horse Guards aan de Londense Strand staat.
Rond die tijd was de prins-regent druk doende met zijn enorme buiten in Brighton.
Het werd in zijn favoriete 'hindoestaanse' stijl verbouwd door hofarchitect
John Nash (1815-21), maar toen de buitenkant er met zijn vele uitzinnige torentjes
en uivormige koepels eenmaal stond, was hij alweer uitgekeken op India. Het
interieur werd daarom Chinees, met als hoogtepunt de banketzaal, die gedomineerd
wordt door de gigantische kroonluchter: onder breed uitwaaierende, vergulde
palmtakken houdt een koperen draak in volle vlucht de luchter vast, waarvan
de kelken door glazen draken van kleiner allooi worden gedragen. Het magnifieke,
maar absurde apparaat kostte de prins, de latere George IV, het voor die tijd
kolossale bedrag van vijfduizend pond.
Wederopstanding
Dergelijke spaarzame nazaten daargelaten, was de chinoiserie met het ancien
régime gestorven. De wederopstanding vond dan ook niet in de boezem van
de adel plaats. Het is veelzeggend dat de Beierse koning Ludwig II, die zijn
koningschap in voor-democratische tijden situeerde, in 1886 een Chinees zomerpaleis
liet ontwerpen. Het is even veelzeggend dat het zelfs niet tot een eerstesteenlegging
kwam. Nee, de wedergeboorte van de chinoiserie was een bijproduct van de Japanmode,
die volgde op de openstelling van Japan in 1863, en speelde zich van meet af
aan af in de massacultuur die Ludwig zo verafschuwde.
Uitzonderlijke voorbeelden vinden we gewoon op straat, in de winkelarchitectuur
die in Europa vanaf ongeveer 1880 een grote hausse beleefde. Regen- en zonneschermen
werden in de populaire cultuur, net als thee, met het zonnige China geassocieerd.
Oude parapluwinkels hebben nog vaak een paraplu of -sol buiten hangen, gedragen
door een Chinese draak. Midden in Venetië houdt er een wel drie schermen
omhoog en op de Ramblas in Barcelona kronkelt er een boven een toegevouwen plu
uit, met een waaier op de rug en een 'bamboe'-lantaarn in de klauwen. De puien
(uit 1883-84) zijn voorts nog opgesierd met Chinees-Japanse figuren.
De burgerij van de negentiende eeuw spiegelde zich aan de cultuur van de achttiende-eeuwse
adel en adopteerde al haar deugden en ondeugden, inclusief de smaak voor exotische
waanvoorstellingen. China was in de tussentijd echter een heel stuk dichterbij
gekomen en het beeld van de Chinese beschaving was in westerse ogen diepgaand
veranderd. Wij keken niet meer op tegen een in moreel en ethisch superieur geachte
beschaving. Zo onschuldig was de verhouding tussen Europeanen en verre volkeren
niet meer. Een agressief imperialisme ging gepaard met Europees superioriteitsgevoel,
maar eveneens met oprechte, wetenschappelijke interesse in verre streken en
vreemde volkeren. Na twee opiumoorlogen en een bokseroorlog was het ooit zo
machtige Cathay begin twintigste eeuw een tandeloze draak, die machteloos moest
toezien hoe haar rijkdommen richting Europa vloeiden door afgedwongen, ongunstige
handelsverdragen.
Wat wij daar van merkten was een nieuwe rol van het Verre Oosten in de reclame.
Vooral natuurlijk thee (hoewel die vaak uit India kwam), maar ook allerhande
producten als bonbons werden aangeprezen met Chinezen in een doorgaans dienende
rol. De begaafde Ludwig Hohlwein uit München ontwierp voor Marco Polo Tee
en Riquet Pralinen schitterende affiches met een moderne stilering, waarop de
wijze mandarijn van weleer heeft plaatsgemaakt voor dienstbare Chinese vrouwen
en jongetjes.
De onbeschaamde heroriëntering van de art déco-jaren op het rococo
bracht ook de chinoiserie weer voor het voetlicht. Kronkelende draken torsten
Parijse balkons en de Royal Doulton-fabriek in Staffordshire gebruikte geflambeerd
'Sung'-glazuur voor de felle kleuren op vazen van onmiskenbaar Chinese vorm,
compleet met overkragend deksel. Susi Singer vervaardigde lieftallige aardewerken
Chineesjes voor de Wiener Werkstätte. Juvenia bracht een tafelklok uit
in de vorm van een pagode.
Mysterieuze klok
De art déco-smaak voor uitgesproken, contrasterende kleuren, simpele
vormen en luxe materialen gaf een verdere impuls aan chinoiserie: jade en zwarte
onyx of lak leverden de gewenste kleurstelling groen/zwart op die we zien in
de sieraden van Georges Fouquet en Cartier. Maurice Couët maakte voor Cartier
een 'mysterieuze klok' (met onzichtbaar bewegend uurwerk) in de vorm van een
Japanse sjinto-poort: het uurwerk (met jade wijzerplaat) moet tussen de benen
(jade met koraal) omhooggeschoven en zakt onmerkbaar weer omlaag. Voor Roger
& Gallets parfum 'Le jade' ontwierp René Lalique in 1926 een groen
glazen flesje in de vorm van een Chinees snuifflesje, dat verpakt werd in een
zwarte doos met zijden kwast. Andere parfumflesjes uit die kregen de gedaante
van een olifant, een zittende boeddha of een Chinese hoed en namen als 'Ming
Toy' en 'Chin-Li'.
In ons land waren dergelijke frivoliteiten destijds volledig ondergeschikt aan
de ernstige verbetenheid waarmee zowel moderne ideologie als traditioneel geloof
werden beleden. In het heilig hart van katholiek Nederland pronkt nog altijd
een stukje chinoiserie van internationale allure. Aan de Verlengde Groenestraat
in Nijmegen staat het 'Missiehuis Bisschop Hamer van de Missionarissen van Scheut'.
Deze missionarissen waren tot China beroepen en Monseigneur Hamer verloor daar
het hoofd tijdens de Bokseropstand van 1900, die tegen de buitenlandse invloed
in China was gericht. Elders in Nijmegen staat een monument voor hem, maar het
voor het overige onopvallende missiehuis uit 1924 is gesierd met een spetterende,
oranjerode pagode van twee verdiepingen op het dak.
Aan alle goede dingen komt een eind en zo ook aan het kolonialisme. Mao maakte
een definitief einde aan de koloniale uitbuiting van China. Afgezien van een
kortstondige flirt van Europese intellectuelen met de Culturele Revolutie, toen
een Mao-affiche en een Rood Boekje menige studentenflat sierden, is de chinoiserie
daarmee uit het Avondland verdwenen.