Optimistisch geloof in de vooruitgang is een steeds terugkerende factor in de kunst en toegepaste kunst. Maar in de jaren zestig nam dat een heel eigen vorm aan, toen de wedloop in de ruimte tussen Russen en Amerikanen terecht kwam in de haute couture, de leefomgeving en natuurlijk in science-fictionfilms. Tegenwoordig zijn de vaak bizarre ontwerpen van 'de toekomst' populaire verzamelobjecten uit 'het verleden'.
Michel Didier 2001
De Eiffeltoren is een van eerste symbolen van het geloof in techologische vooruitgang.
In de twintigste eeuw wordt dat geloof steeds vaker zichtbaar in de kunst, de
bouwkunst en de toegepaste kunst: de buisstoelen van de jaren twintig markeren
bijvoorbeeld het optimisme van na de Eerste Wereldoorlog. Een wereldoorlog later
is dat optimisme weliswaar bijgesteld, maar leeft toch ook overal de hoop dat
de wetenschappelijke vooruitgang de mensheid op een hoger plan zal tillen. In
de Verenigde Staten, waar de oorlog voor een ongekende welvaart heeft gezorgd
voor brede lagen van de bevolking, is het 'atoomtijdperk' daar de uitdrukking
van. Hoe luguber ook, de atoombom stemt de Amerikanen vrolijk en tevree. In
talloze producten van de zich snel ontwikkelende B-cultuur, zoals films, liedjes
en beeldverhalen, wordt de atoomkracht verheerlijkt. Ook in de toegepaste kunst,
die zich omzet in industrieel ontwerp, is de 'atom age' zichtbaar. De 'Ballenklok'
van 1947, ontworpen door Irving Harper van het ontwerpbureau George Nelson in
New York, bestaat uit een ronde plaat waar twaalf bollen door staafjes mee zijn
verbonden, als satellieten om een kern. Tegenwoordig zouden we het licht misplaatst
vinden als een gebruiksvoorwerp zo onbeschaamd verwijst naar iets wat zo rampzalig
kan zijn, maar twee jaar na Hiroshima gold kernfysica nog als een onbetreden,
enigszins mysterieus terrein waar in de afzienbare toekomst wonderschone dingen
voor het welzijn van de mensheid mee kon worden verricht.
Over het algemeen houden kunstenaars, architecten en ontwerpers in de jaren
vijftig echter vast aan traditionele materialen als brons, baksteen en hout:
de atomaire 'Ballenklok' is van hout en koper. Pas eind jaren vijftig zijn nieuwe
materialen als kunststoffen zover ontwikkeld dat ontwerpers er baan mee kunnen
gaan breken. De hele jaren zestig worden dan ook gekenmerkt door niet aflatend
experiment, het aftasten van de grenzen van het mogelijke en het wenselijke.
Op alle denkbare terreinen laten kunstenaars, ontwerpers, regisseurs en architecten
zich beïnvloeden door een veelvoud aan stijlen, materialen en ideeën
uit het verleden, uit andere culturen, uit de filosofie en uit de jeugd- en
straatcultuur. De toekomst lijkt onder handbereik van iedereen die hem wil grijpen.
En de toekomst krijgt ook vorm.
In 1961 cirkelt de Russische kosmonaut Joeri Gagarin rond de aarde in een ruimteschip.
Heel de wereld houdt vol bewondering de adem in: een mondiale held is geboren,
een nieuwe Lindbergh. De Amerikanen zetten onmiddellijk een ambitieus ruimtevaartprogramma
op om de Russen af te troeven. Deze ruimterace domineert de populaire wetenschap
in de jaren zestig en de neerslag op het dagelijks leven laat niet lang op zich
wachten.
In januari 1965 houdt de Parijse couturier André Courrèges zijn
eerste modeshow met schokkend futuristische kleding, minirokken en broeken in
wit en pastelkleuren: de 'Space Look' is geboren. Opvallend is het bijna uitsluitend
gebruik van wit en zilver, overgenomen van de ruimtevaartpakken, maar voor de
ontwerper een symbool van puur- en reinheid. Het zijn tenslotte de jaren van
ongelimiteerd fosfaatgebruik om de lakens lelieblank te krijgen. Uit datzelfde
jaar dateert de karakteristieke zonnebril die zijn modellen dragen: uit één
stuk wit plastic, met om doorheen te kijken slechts twee sleuven die de vorm
van de wenkbrauwen volgen, voor een extra buitenaards effect. Twee jaar later
lanceert Courrèges zijn 'Couture Future'.
De minirok wordt binnen de korste keren een rage en ook de 'Space Look' slaat
aan. Pierre Cardin doet mee: hij hult zijn modellen in avant-gardeontwerpen
met geometrische vormen en zet ze helmen met vizier op. Paco Rabanne, de 'Jules
Verne de la couture' en ook wel 'le métallurgiste' genaamd, introduceert
de nieuwste technieken en materialen in zijn science-fictioncouture. In februari
1966 presenteert hij twaalf 'objets importables en matériaux contemporains',
die inderdaad eerder een artistiek manifest vormen dan modellen voor alledaagse
confectie. Minijurken en andere kledingstukken, bestaande uit rijen aan elkaar
geklonken palletten van kunststof. Mode is ineens van knippen en naaien tot
monteren en assembleren geworden. Na de kunststof 'Rhodoïde' gebruikt Rabanne
palletten van leer en van metaal, wat pas na jaren experimenteren resulteert
in soepel vallende jurken.
In de film Two for the Road draagt Audrey Hepburn een pallettenjurkje van Rabanne.
Ook in andere films worden acteurs door de van oorsprong Spaanse ontwerper aangekleed,
vooral als 'de toekomst' verbeeld moet worden, zoals in de psychedelische James-Bondpersiflage
Casino Royale uit 1967 en de hipste science-fictionfilm van het hele decennium,
Roger Vadims Barbarella (1968), naar de sexy stripverhalen van Jean-Claude Forest.
In de uitzinnig vormgegeven film gaat de nimfomane Jane Fonda in het jaar 40.000
op zoek naar een geleerde die een dodelijke straal heeft uitgezonden met de
Mathmos. Grote delen van de film zien eruit alsof ze gefilmd zijn door een lavalamp
heen, die semi-psychedelische vloek van de jaren zestig die tegenwoordig weer
in grote aantallen wordt betrokken bij volkswarenhuizen als Blokker. Mathmos
was de naam van een bekende Amerikaanse fabrikant van lavalampen, een ironie
die veel mensen zal zijn ontgaan.
Dat Paco Rabanne de gezichtsbepalende couturier van de film van de jaren zestig
was, bewijst de speciale dank die hem wordt toegezwaaid in de eerste Austin
Powers-film (1997), een persiflage op alles wat hip was tussen 1965 en 1969.
In 1970 komt nog A Clockwork Orange van Stanley Kubrick uit, een sensationele
film die in de nabije toekomst speelt, maar eerder 'social fiction' dan 'science
fiction' is: jeugd maakt zich schuldig aan excessief geweld. De vormgeving is
bijzonder vooruitstrevend: vooral de 'Korova Milk Bar', waar de jonge delinquenten
hun melk nuttigen, is futuristisch aangekleed. In 1970 wilde dat nog zeggen:
wit. Overigens werkt de Nederlandse beeldhouwer Herman Makkink mee aan de decors
en objecten in de film.
Kubrick maakte A Clockwork Orange met het geld dat hij verdiend had met het
succesvolle 2001: A Space Odyssey in 1968. Hierin geeft hij een beklemmend,
zwaarmoedig en ernstig beeld van de toekomst dat het absolute tegendeel is van
dat in Barbarella. Nu, in 2001, lijkt die toekomst verder weg dan ooit. De film
is wel geheel gerestureerd en opgepoetst, maar zal niet in Nederland worden
uitgebracht. En omdat de oude kopieën niet meer mogen worden vertoond van
de erfgenamen van Kubrick, kunnen we het jaar niet op de meest gepaste wijze
vieren.
In 2001 komt een hotel voor, een ruimte-Hilton, waar de meest futuristische
meubelen staan. Die meubels zijn dan eigenlijk al drie jaar oud, gemaakt door
de Franse ontwerper Olivier Mourgue voor Airborne International. Het zijn sculpturaal
vormgegeven fauteuils en bankjes in heldere kleuren. De chaise longue 'Djinn'
is het jaren-zestig-antwoord op de befaamde chaise longue van Le Corbusier:
het stalen buisgeraamte is bedekt met schuimrubber, overtrokken met rode latex.
Volgens Kubrick en met hem vele anderen ziet de toekomst er uit als de 'Djinn'
en zijn naaste familie.
Ook Mourgues landgenoot Pierre Paulin bereikt met schuimrubber en felgekleurde
latex over stalen buizen futuristische resultaten. Midden jaren zestig opent
hij in Parijs een eigen ontwerpbureau. Voor onder andere Artifort in Nederland
maakt hij opvallende en zeer eigentijdse (tijdgebonden) ontwerpen, vooral fauteuils
zoals 'de Tong' (1967), die het mogelijk maken ongedwongen en laag bij de grond
te zitten. Zijn ontwerpen zijn de laatste jaren zeer gewilde verzamelobjecten
geworden, evenals de meubels van de Deen Verner Panton. Nadat Panton de eerste
uit één stuk gegoten polyester stoel voor volwassenen heeft ontworpen
in 1960 (in productie sinds 1968, opnieuw uitgebracht door Vitra), verhuist
hij naar Frankrijk, waar hij zich laat inspireren door Op Art en de 'Space Age'.
Tot zijn beroemdste ontwerpen behoren de psychedelische 'ruimtelandschappen'
voor Bayer AG op de 'Visiona 0'- en 'Visiona 2'-tentoonstellingen in 1968 en
1971 in Keulen, waar hij fantastische plastische vormen combineert met pure
kleuren.
Op de 'Visiona 3' in 1971 stelt Panton zijn visie op 'living environment' tentoon,
tegelijk met die van geestverwanten Olivier Mourgue en Joe Colombo. Cesare Colombo,
later Joe genaamd, is in Italië aanvankelijk schilder, onder andere bij
de 'Movimento Nucleare' ofwel kernbeweging, in de jaren vijftig. Later neemt
hij zijn vaders bedrijf over en begint hij meubels te ontwerpen. In 1969 presenteert
hij de futuristische 'Tube'-stoel van polyethuraan en plastic, bestaande uit
vier zachte cylinders van verschillende dikte. In een aflevering van Star Trek
of Space: 1999 had deze chaise longue niet misstaan.
In hetzelfde jaar maakt Colombo 'Wohnmodell 1969', een ruimte-enscenering op
de 'Visiona 1' (1969) van Bayer, gepresenteerd in een rijnaak ter gelegenheid
van de Internationale Möbelmesse in Keulen. De blik in de wooneenheid van
de toekomst bestaat uit aan elkaar geschakelde ruimten met geïntegreerde
elementen, als in een ruimteschip. De keuken is een volautomatisch 'Kitchenbox-Block'
met 'schakelpanelen', de 'Night Cell' een ronde slaapcabine, verbonden met een
natte cel; het 'Central Living-Block' heeft een ligplateau van kussenelementen
met een ingebouwde bar, waarboven een ronde, draaibare boekenkast zweeft met
ingebouwde televisie.
Opvallend aan de hele 'Space Age Design'-rage van de jaren zestig is, dat de
stijl geheel en al in Europa ontstaat en is ontwikkeld; in de Verenigde Staten
en de Sovjetunie is maar weinig enthousiasme te bespeuren voor 'de ruimte' in
de dagelijkse omgeving, buiten jongensspeelgoed en science-fictionfilms. In
Europa laten topontwerpers ruimtvaartinvloeden toe in hun meest idiosyncratische
ontwerpen. De Fin Eero Aarnio gebruikt fiberglas voor zijn flitsende zitmeubels,
waaronder de ronde 'Globe'-stoel, bestaande uit een bol op een voet (1963-65).
Voor het Milanese bedrijf Kastell maakt Anna Castelli Ferrieri een cylindrische
kast, met naar binnen wegschuivende deurtjes waarin ronde grepen zijn uitgespaard
(1969). De Parijse ontwerper Yonel Lébovici ontwerpt planetaire verlichting.
Zijn tafellamp 'Satellite' is een glanzende bol, opgehangen in een paar beweegbare
perspex schijven, die de indruk van een planeet met satellieten geven (1965).
De staande en hangende lampen 'Soucoupe' zijn op vliegende schotels gebaseerd
en eerder lichtobjecten dan lichtbronnen (1970). Omdat Lébovici's lampen
in heel kleine oplagen zijn gemaakt (de 'Satellite' maar twintig stuks), zijn
het prijzige verzamelobjecten.
Makkelijker verkrijgbaar zijn de massageproduceerde consumptieartikelen die
de 'space'-variant van de 'pop'-stijl zijn vervaardigd. In Japan worden vanaf
1969 wekkers en televisietoestellen gemaakt die als twee druppels water lijken
op de helm van Neil Armstrong, de astronaut van Apollo 11 die in dat jaar als
eerste mens voet zet op de maan.
De landing van Apollo 11 is een van de grootste televisie-gebeurtenissen van
het decennium. Het geeft de vormgeving van het ruimtevaarttijdperk een nieuwe
impuls, maar het zal tevens de laatste opleving blijken te zijn. Na 1970 neemt
de populariteit van het bizarre, extravagante 'Pop Design' snel af, mede door
de versobering en rationalisering als gevolg van de oliecrisis.
In 1965 ontwerpt de Nederlander Richard E. Persé Wolthekker de kogelronde
gashaard '2000'. De bolvorm zorgt voor een optimale warmteafgifte. In strijd
met deze futuristisch ogende functionaliteit is het rooster met de gloeikooltjes,
zodat het oogt als een 'echte', gezellige haard. De haard is ontworpen voor
Faber gashaarden, die gewoonlijk traditionele modellen uitbrengt. Door terughoudendheid
van de Leeuwardense firma komt de '2000' pas begin jaren zeventig op de markt.
Hij is verkrijgbaar in wapenblank staal, zwart-wit of in de Carnabykleuren oranje
en paars. Het model is geen succes, omdat dan aan de populariteit van wilde
ontwerpen een einde is gekomen en omdat in nieuwbouwhuizen cv wordt aangelegd.
Aan de andere kant wordt de metalen kruk 'Allunaggio' (maanlanding), eveneens
ontworpen in 1965, in 1980 in productie genomen door het Milanese bedrijf Zanotta.
Een van de ontwerpers, de broers Achille en Pier Giacomo Castiglioni, is dan
al overleden en kan het late succes niet meer meemaken. Er is dan duidelijk
een nieuwe markt voor extravagante, individualistische ontwerpen ontstaan. Aan
de ruimtevaartproducten van de jaren zestig is inmiddels een cultuswaarde gaan
kleven, die het tot begeerlijke hebbedingen maakt.
Kunstblad 3, juni 2001