Pop Design, afgeleid van Pop Art, veroverde de wereld in de jaren zestig als reactie op het strakke en functionele Good Design van het voorafgaand decennium. Geïnspireerd door de populaire cultuur en de consumptiemaatschappij en gebruikmakend van nieuwe technieken en materialen zoals kunststof, ontstonden de meest bizarre en buitenaardse vormen met bonte kleuren. De oliecrisis van 1973 maakte echter een abrupt einde aan de onbezorgde wegwerpcultuur.
Michel Didier 2002
De wortels van het Pop Design zijn vanzelfsprekend te vinden in de Britse en
Amerikaanse Pop Art, maar ook in de Art Nouveau, Art Déco en het Surrealisme.
Het is zowel een kritische reactie op het verantwoorde, maar saai gevonden Good
Design en Goed Wonen van de jaren vijftig, als een kritiekloze omarming van
de enorm uitdijende consumptiemaatschappij met zijn vluchtige, nutteloze producten,
zijn wegwerpcultuur en zijn verheerlijking van de jeugd. De Britse Pop Art is
de eerste beweging in de kunst die de vooral Amerikaanse populaire cultuur onderzoekt
en betrekt in de beeldende kunst en architectuur. In 1952 richten de kunstenaars
Eduardo Paolozzi, Richard Hamilton en de architecten Peter en Alison Smithson
The Independent Group op. Hamilton haalt film en popmuziek in zijn schilderijen,
met een fotografie imiterende techniek. De Smithsons ontwerpen in 1954 het prototype
van de Pop-Designstoel, de Trundling Turk, als reactie op het Modernisme. Op
een verchroomd raamwerk liggen hoekige kussens van kleurig bekleed schuimrubber
met exotische motieven. Ook de extreem lage zitpositie voorafschaduwt de jaren
zestig, als bijkans op de grond bivakkeren het summum van comfort wordt gevonden.
Nog voor 1960 ontstaat een Amerikaanse vorm van Pop Art, die gedeeltelijk kritisch
staat tegenover de consumptiecultuur, maar waarvan veel beoefenaars de massacultuur
kritiekloos omarmen. Bij wijze van afwijzing van het Abstract Expressionisme
halen de schilders en beeldhouwers elementen uit de popcultuur het museum en
de galerie in. De vlaggen van Jasper Johns, de opgeblazen comic strips van Roy
Lichtenstein en natuurlijk de gortdroog nageschilderde soepblikken van Andy
Warhol slaan vanwege de herkenbaarheid enorm aan bij het publiek. De beeldhouwer
Claes Oldenburg maakt alledaagse gebruiksvoorwerpen minutieus na in zacht vinyl:
Soft Pay-Phone, Soft Wash Basin
Later vergroot hij banale voorwerpen uit
tot monumentale dimensies, in de lijn van Lichtenstein, zoals de reusachtige
blauwe troffel in het beeldenpark van Museum Kröller-Müller.
Het gebruik van vinyl en de talloze andere goedkope plastics, vooral polyethyleen,
polyurethaan en polystyreen, die in die tijd worden uitgevonden of geperfectioneerd,
geven kunstenaars en ontwerpers ongekende nieuwe mogelijkheden. Warhol verklaart:
'Everybody's plastic - but I love plastic. I want to be plastic.' Natuurlijk
worden kunststoffen al langer gebruikt voor consumptiegoederen, maar doorgaans
als goedkope grondstof om er duurdere materialen mee te imiteren, zoals hoorn,
schildpad of hout. Nu accepteert het publiek plastic om zijn eigen kwaliteiten
en worden alle denkbare vormen en kleuren mogelijk. Het resulteert in de meest
uitzinnige ontwerpen, met kenmerkende ronde hoeken en bonte kleurencombinaties.
Vooral oranje, maar ook de andere secondaire kleuren groen en paars, gelden
als de typische kleuren van het optimisme van de jaren zestig. Een van de eerste
meubels met die kenmerken is de sofa Marshmellow van George Nelson uit 1956,
waarvan zitting en rugleuning uit ieder negen ronde latex kussens bestaan, overtrokken
met rood, oranje en paars vinyl.
Harde plastics, liefst in organisch ronde vormen, kan eveneens elke gewenste
kleur gegeven worden. De innovatieve 'schommelende kuip' Pastille van Eero Aarnio
bijvoorbeeld uit 1967-68, kan dankzij het harde materiaal, de afwezigheid van
bekleding en de vervaardiging uit slechts twee delen polyester ook buiten worden
gebruikt.
Popkunstenaars begeven zich eveneens op de ontwerpmarkt. Richard Hamilton maakt
de hoes van het titelloze witte album van de Beatles in 1968; een jaar eerder
heeft zijn landgenoot Peter Blake de veelgelauwerde hoes van Sgt. Pepper's Lonely
Heart's Club Band ontworpen. Andy Warhol verbindt zijn naam aan twee van de
bekendste platenhoezen aller tijden. De hoes van The Velvet Underground uit
1967 is wit met een zeefdruk van een gele banaan erop, die in de originele versie
(die nu rond de $ 500 opbrengt) af te pellen is, waarop een roze banaan te voorschijn
komt. De opzettelijk banale verwijzing naar het mannelijk geslachtsdeel doet
bandleider Lou Reed later verklaren: 'The banana actually made it into an erotic
art show.' Warhol heeft er een feilloos gevoel voor goedkope effecten met goedkope
verschijnselen in een goedkope verpakking als iets artistieks, hips en begerenswaardigs
te verkopen. Het is dan ook zijn naam die op de voorkant van de hoes prijkt
en niet die van de band. Twee jaar later doet Warhol de truc nog eens dunnetjes
over voor de Rolling Stones. Hun lp Sticky Fingers voorziet hij van een hoes
met een zwart-witfoto van een spijkerbroek waar een echte ritssluiting in gemonteerd
is. Hierachter bevindt zich geen roze banaan, maar een foto van een man in onderbroek.
In Spanje wordt de provocatieve hoes vervangen door een foto van vingers die
uit een blik stroop steken. Veel smakelijker.
De Engelse Popkunstenaar Allen Jones vervaardigt in 1969 een controversieel
ameublement van fiberglazen vrouwen in uitdagend minimale lederen kledij. Het
gebruik van onderdanige vrouwen als fauteuil, salontafel of staande lamp roept
heftige reacties op, hoewel Jones het al kritisch bedoelt. Het ameublement is
comfortabel, maar eerder kunst dan design. Het is typisch Pop, niet alleen vanwege
de symbolische inhoud, maar ook door de herkenbare vorm.
Ironisch bedoelde, aan de populaire cultuur ontleende vormen voor meubilair
zijn overal te koop. De Duitse ontwerper Ingo Maurer introduceert in 1970 zijn
Bulb Opal, een staande lamp in de vorm van
een lamp. Pierre Paulin ontwerpt
voor het Maastrichtse Artifort in 1967 de gerieflijke stoel Tongue. Eveneens
binnensmonds zijn de Molar-stoelen en -sofa van gegoten polyester, in de vorm
van kiezen. Het Italiaanse collectief Studio 65 komt met Bocca, een sofa in
de vorm van een mond, duidelijk geïnspireerd op een ontwerp van Salvador
Dalí uit de jaren dertig. Voor de zelfde firma Gufram ontwerpen Guido
Drocco en Franco Mello de staande kapstok Cactus in 1971. Uit de koker van de
eveneens Italiaanse Studio Simon komt de kruk in de vorm van een blik 'Campbell's
Soup', getiteld Omaggio ad Andy Warhol, uit 1973. Roberto Sebastian Matta ontwerpt
een bronzen stoel in de vorm van een opengedraaid, gedeukt blik. Nog meer humor
bevat de leren fauteuil Joe uit 1970 van Gionatan De Pas, Donato D'Urbino en
Paolo Lomazzi in de vorm van een honkbalhandschoen. De naam verwijst naar de
honkballer Joe DiMaggio, ooit echtgenoot van Marilyn Monroe en symbool van de
Amerikaanse sportverdwazing. De vorm is een subtiele kritiek op de Bauhausstoelen
uit de jaren twintig die rond 1970 opnieuw worden geproduceerd, maar met luxe
handschoenenleren bekleding.
De Pas, D'Urbino en Lomazzi worden in 1967 onsterfelijk bij de introductie van
de eerste opblaasbare stoel Blow, een 'pneu-design' in zacht en vergankelijk
pvc. Zelden is de vluchtigheid van het zorgeloos consumentisme scherper verbeeld
en tegelijk het imago van de stoel als duurzaam product onderuitgehaald. Er
worden tienduizenden exemplaren van Blow-stoelen, -krukken en -banken verkocht,
de meeste vervaardigd in Frankrijk. Natuurlijk bestaan er nog maar weinig van;
de nabijheid van een spijkerbroek is ze al te veel. Gaetano Pesces Fauteuil
model UP5, beter bekend als Donna, gemaakt in 1969 voor B & B Italia, is
gemaakt van het uiterst compact samen te persen schuimrubber polyurethaan. De
hele meubelserie UP wordt verkocht in platte dozen; bij opening van de pvc-folie
springen ze in hun bedoelde ronde vorm. Het aanschaffen van een stoel wordt
zo een privé-happening.
Eveneens als tijdelijk bedoeld is Peter Murdochs Spotty, een kartonnen kinderstoel
met 'polka dot'-motief uit 1963. Tussen 1969 en 1973 komt de Canadees Frank
O. Gehry (nu bekend als deconstructivistisch architect) met zijn Easy Edges,
een meubelserie van verlijmd verpakkingskarton. Als de serie een groot succes
blijkt, stopt Gehry de productie omdat hij bang is zijn carrière als
serieus architect in gevaar te brengen met wegwerpmeubels.
Een van de grootste zitsuccessen van het Pop Design is de eveneens Italiaanse
zitzak. Piero Gatti, Cesare Paolini en Franco Teodoro ontwerpen de Sacco in
1968 voor Zanotta. Van het aanvankelijke idee om de vinyl of lederen zak met
vloeistof te vullen wordt afgezien vanwege het onhandelbare gewicht; in plaats
daarvan gebruiken ze polystyreen, volgens Zanotta 'twaalf miljoen bolletjes',
waarmee het totale gewicht op een verwaarloosbare zes kilo komt. Hoewel de zitzak
nu doorgaat voor een typisch onpraktisch en oncomfortabel product van de dwaze
jaren zestig, is het in 1968 een doorslaand succes en de definitieve doorbraak
van het Italiaanse 'Anti-Design'.
Omdat de meeste producten bestemd zijn voor de jongerenmarkt, moeten ze goedkoop
zijn en zijn ze van vaak zulke erbarmelijke kwaliteit dat het nu moeilijk is
een collectie Pop Design op te bouwen. Producten van sommige harde plasticsoorten
hebben de tand des tijds beter getrotseerd dan de zachte vinyls en pvc's. japanse
firma's, met name National Panasonic, werpen zich op de wereldjongerenmarkt,
gebruikmakend van de hippe Popstijl. Kleine tv-toestellen en hifi-apparatuur
krijgen dekenmerkende ronde vormen en doorgaans felle kleuren. Wie herinnert
zich niet de bolle oranje miniatuurtelevisie? Of de polsradio, die ingenieus
gedraaid kon worden zodat je hem om de pols kon dragen?
Door de geringe kwaliteiten van de plastics is het niet verbazend dat er weinig
Pop Design in de architectuur is gebruikt. Franse, Duitse en Japanse architecten
ontwierpen liever 'woonmodules', soms zelfs uit één stuk met geïntegreerde
functies. Een gebouw dat daar door de polyester schaal met afgeronde hoeken
van buiten nog het meeste op lijkt, is de Olivetti Training School in het Zuid-Engelse
Haslemere van James Stirling. De buitenkant geeft een indruk van aan elkaar
geschakelde elementen, het interieur is een geslaagde mengeling van functionaliteit
en Pop-elementen als felgele, paddestoelvormige pilaren. Meer 'Pop' in de zin
van populaire cultuur is het Ni-Ban-Kahn in de Tokiose uitgaanswijk Shinjuku.
In 1977 heeft het uitgaanscentrum, dat meer dan twintig bars bevat, nieuwe decoratieve
schilderingen gekregen: een grote 2 (ni) en 'schietschijven' van oranje concentrische
cirkels.
Oorspronkelijker maar minder tastbaar is de Poparchitectuur in films, waarvan
A Clockwork Orange van Stanley Kubrick uit 1971 overeind staat als monument
van een tijd waarin de toekomst krachtige ronde, sculpturale vormen had in stevige
kleuren. De film begint in de 'Moloko Milk Bar', die geheel wit is en waar de
meubels bestaan uit naakte vrouwen, net als het ameublement van Allen Jones
en klaarblijkelijk van hem overgenomen, zonder kleren maar met de waanzinnige
krulpruiken die we in Nederland nog kennen van Penny te Mager in Toppop. Later
in de film dringt een jonge hufter het wit gestileerde huis van een alleenstaand
kunstenares binnen en treft daar een witte sculptuur aan: het is een rond gestileerde
mannelijkheid die na aanraking op en neer wipt. Dit lijkt de draak te steken
met alles waar Pop Design en Pop Art voor staan: de verkunsting van het banale,
de afgeronde, sensuele vormen en de obsessie met erotiek. De hufter doodt de
kunstenares dan ook met haar eigen kunstwerk.
Twee jaar later presenteert de Club van Rome haar rapport en draaien de olieproducerende
landen de kraan dicht. De bomen groeien dus toch de hemel niet in, welvaart
gaat ten koste van welzijn en plastic blijkt te worden gemaakt van petroleum.
Rond en oranje plastics hebben voor even afgedaan. Maar de ongekende vrijheid,
fantasie en humor van het Pop Design heeft alvast de fundering gelegd onder
het Postmodern ontwerpen van een decennium later.
Kunstblad 1, februari 2002