Behalve geometrisch-abstracte kunst kende de avant-garde ook organisch-abstracte, waar natuurlijke vormen in te herkennen zijn. Als reactie op de zielloze geometrie van de moderne vormgeving ontstond het organisch ontwerpen, aanvankelijk gemaakt van organisch materiaal als hout. Plastic en beton bleken echter het meest geschikte materiaal om de schoonheid van de natuur te gebruiken voor meubels en architectuur. Zo ontstonden stoelen als tulpen of eieren en gebouwen als vogels of schildpadden.
Michel Didier 2001
De Internationale Stijl in de architectuur was gericht tegen de 'gevelarchitectuur'.
Uit naam van de functionaliteit en van de behoeften van de mens verrezen in
de jaren twintig klassieke gebouwen als Rietvelds Schröderhuis in Utrecht,
De Van Nellefabriek van Brinkman & Van der Vlugt in Rotterdam, villa's van
Le Corbusier in Frankrijk en het Bauhaus van Gropius in Duitsland. De functionele
en rationele ideeën achter deze gebouwen uitten zich in rechthoekige vormen,
onversierde muurvlakken, wit gestuct baksteen of beton en stalen kozijnen. Met
de menselijke behoefte aan herkenbare vormen, die aansluiten op natuurlijke
vormen, werd in het geheel geen rekening gehouden.
In de Internationale Stijl ontbrak een om zo te zeggen 'menselijk element'.
Dat gold evenzeer voor de geometrisch-abstracte schilderkunst van Mondriaan,
Van Doesburg, Malevitsj en het Bauhaus. Het Surrealisme bracht daartegen een
manier van schilderen in stelling, die niet subjectief was zoals het expressionisme,
maar objectief zoals de geometrisch-abstracten en tegelijkertijd organische
vormen had, omdat ze op uitingen van het onbewuste waren gebaseerd. De Surrealistische
kunstwerken zijn soms herkenbaar, soms abstract, maar lijken altijd uit de natuur
afkomstig. Figuren op schilderijen van Miró, Tanguy en Masson zijn niet
herkenbaar, maar wel biomorf - het lijken levende vormen. Dat geldt ook voor
de beeldhouwwerken van Jean Arp en Alexander Calder.
De Straatsburgse kunstenaar Arp begon in 1919 met het maken van houten reliëfs
waarbij hij probeerde de wetten van het toeval te gebruiken. Later sloot hij
zich aan de Surrealisten en maakte hij biomorfe sculpturen, die deels op natuurvormen,
deels op klassieke beeldhouwkunst zijn geïnspireerd. Het resultaat is organisch-abstracte,
sensuele vormen. De Amerikaan Calder sloot zich in de jaren twintig aan bij
de Surrealisten in Parijs. Hij vervaardigde hangende en staande mobiles, die
bestaan uit onregelmatig gevormde plakjes beschilderd plaatstaal aan ijzerdraden.
Arp en Calder hebben een enorme invloed uitgeoefend op de beeldhouw-, bouw-
en toegepaste kunst van de jaren veertig en vijftig, om te beginnen met de ontwerpen
van de Finnen Aalto en Saarinen.
Alvar Aalto maakte in 1930 voor het Paimo tbc-sanatorium de eerste 'zacht zittende'
stoel, uit één stuk golvend triplex. Voor het Finse paviljoen
dat hij ontwierp voor de 'Exposition Internationale des Arts et Techniques dans
la vie Moderne' in Parijs in 1937 maakte hij de glazen Samoy-vaas, een asymmetrische
vorm die geïnspireerd heette te zijn op de fjorden. De vaas heette aanvankelijk
'Eskimoerindens skinnbuxa' - 'leren broek van een Eskimovrouw'. De Surrealistische
inspiratie was niet ver te zoeken.
Aalto werd vervolgens populair in Engeland en Amerika. Hij was een modern architect
en ontwerper, maar gebruikte alleen natuurlijke materialen en organische vormen
omdat hij vond dat ontwerpen niet alleen aan functionele eisen moeten voldoen,
maar ook in de psychische behoeften van de gebruiker moet voorzien. Hout noemde
hij 'vorm-inspirerend, diep-menselijk materiaal'.
Eero Saarinen was de zoon van de architect Eliel Saarinen, met wie hij als jongetje
naar Amerika emigreerde. Daar werd hij zelf architect en ontwerper. In 1948
bracht hij een van de ontwerpklassiekers uit van midden 20e eeuw: de Womb Chair
(baarmoederstoel), een variant op het model waarmee hij samen met Charles Eames
in 1941 de prijsvraag 'Organic Design in Home Furnishings' van het Museum of
Modern Art in New York had gewonnen. Naar zijn zeggen was het een reactie op
de 'overstuffed' clubfauteuils die toen in zwang waren. Saarinen zocht in de
eerste plaats naar 'zachte' vormen van comfort en ging uit van een 'mand vol
kussens'. Om in een kamer vol stoelen een woud van stoelpoten te voorkomen,
ontwikkelde hij in de jaren vijftig een serie stoelen op één poot,
'van één vorm en één materiaal'. Resultaat was de
witte Tulpstoel uit 1957, ogenschijnlijk gemaakt uit één stuk
fiberglas (polyester). In werkelijkheid is de poot van aluminium, bekleed met
polyester.
Ook Charles Eames ontwikkelde organisch gevormd zitmeubilair, aangepast aan
de menselijke vorm. In 1948 kwam hij met de DAR-stoel en twee jaar later met
een schommelstoel: een schaal van voorgevormd polyester op een onderstel van
staaldraad. De natuurlijke oorsprong van hout en de nieuwe buigmogelijkheden
ten spijt, was plastic het meest organische materiaal, dat in iedere gewenste
vorm kon worden gemaakt.
Een van de beroemdste organisch gevormde stoelen is de Vlinderstoel, die al
voor 1900 is ontworpen en op wereldtentoonstellingen getoond. Hij was opvouwbaar
en bestemd voor safari of militair gebruik. De Argentijnse ontwerpers Jorge
Ferrari-Hardoy, Juan Kurchan en Antoni Bordet werkten in 1937 op het bureau
van Le Corbusier in Parijs. Nadat ze zich in Argentinië hadden gevestigd,
ontwierpen ze de vlinderstoel op verschillende momenten, onder verschillende
namen en bij verschillende fabrieken in 1939-40; als BKF-stoel naar hun initialen
en als AA-stoel naar de vorm van het rugraamwerk met stalen buizen, overtrokken
met een canvas of leren hoes. In de jaren vijftig zijn er alleen al in de Verenigde
Staten meer dan 5 miljoen verkocht.
De Oostenrijkse architect Friedrich Kiesler vestigde zich in de jaren twintig
in New York. Zijn Two-Part Nesting Tables uit 1933-35, van gegoten aluminium,
zijn biomorf en duidelijk geïnspireerd op het Surrealisme dat Salvador
Dalí net in Amerika had geïntroduceerd. De tafel ging pas in 1990
in productie, eerst bij een galerie in New York en daarna in Italië. Voor
Peggy Guggenheims Newyorkse galerie gaf Kiesler in 1942 de tentoonstelling 'Art
of This Century' vorm. De excentrieke miljonaire onderhield vooral contact met
Surrealistische kunstenaars (ze was korte tijd zelfs met Max Ernst gehuwd) en
bezat veel werk van hen, dat nu in Venetië is te zien. Kiesler vertaalde
de Surrealistische schilderijen in bizar golvend meubilair, de Multi-Use Rocker
en de Multi-Use Chair.
het organisch gebruik van beton aan s. De Frans-Zwitserse bouwmeester Le Corbusier
zocht na de oorlog een andere manier om de menselijke behoeften mee uit te drukken
dan in de rechtlijnige Internationale Stijl, die inmiddels een al te makkelijk
'stijltje' was geworden. Het antwoord vond hij in een expressief gebruik van
beton in grote, organische vormen, als eerste in de pelgrimskerk Notre-Dame-du-Haut
in Ronchamp. Beton bleek voor de architectuur eenzelfde waarde te hebben als
plastic voor toegepaste kunst: paradoxaal genoeg konden daar de meest natuurlijke
vormen mee worden gemaakt, vormen die dicht bij de menselijke ervaringswereld
stonden.
Eero Saarinen ontwierp de veelgeprezen TWA Terminal op de luchthaven John F.
Kennedy (1956-62): door de symbolische vleugelvorm lijkt het beton zich los
te maken van het aardse. De organische, expressieve bouwtrant in gewapend beton
vond echter de meeste uitdrukking buiten Europa en Amerika, juist in zich emanciperende
landen. Le Corbusier ontwierp in 1951 een nieuwe stad in India, Chandigarh.
Zijn leerlingen Costa en Niemeyer ontwierpen de nieuwe hoofdstad van Brazilië,
Brasilia. In Turkije en Irak koppelden westerse architecten de oriëntaalse
bouwtraditie aan nieuwe technieken in expressieve overheidsgebouwen. In Mexico-Stad
ontstond een nieuw universiteitsterrein, maar ook drie musea en een pelgrimsbasiliek
van de Mexicaanse architect Pedro Ramírez Vázquez. De basiliek
is een radicale breuk met de Latijns-Amerikaanse traditie: een ovale vorm, zonder
torens, met een ononderbroken binnenruimte. Het beton maakt een enorme overspanning
mogelijk, zodat meer dan duizend pelgrims de diensten bij kunnen wonen.
Voor de Olympische Spelen van 1964 in Tokio ontwierp Kenzo Tange de spectaculair
wervelende sporthallen. Van later datum is de St-Mary-kathedraal in Tokio, waarvan
het beton is bekleed met geribbelde aluminium platen, zodat het licht op een
modern-gotische manier weerkaatst. Laatste in de onafzienbare rij organisch-betonnen
bouwsels die in de jaren vijftig en zestig als reactie op het koude, 'onmenselijke'
modernisme verrezen, was het Opera House in Sydney van de Deen Jørn Utzon.
Door de ongehoord hoge kosten sleepte de bouw zich jaren voort (1956-73), maar
het gebouw lokte van meet af aan horden bezoekers en is nu het visuele symbool
van heel Australië. De achter elkaar staande betonnen schalen zijn wel
vergeleken met opbollende zeilen en vliegende vogels, maar ook met copulerende
schildpadden.
Le Corbusier, Aalto en oudere architecten als Gaudí oefenden sterke
invloed uit op de ontwerpersgeneratie van vlak na de oorlog. De Turijnse schrijver,
autocoureur, architect, erotiekfotograaf, ontwerper en alpinist Carlo Mollino
ontwikkelde een 'stroomlijnsurrealisme' in contrast met het Rationalisme uit
Milaan. Beïnvloed door organische kunst, gereproduceerd in het architectuurtijdschrift
Domus, zoals sculptuur van Henry Moore (die zelf schatplichtig was aan het Surrealisme),
richtte hij het Casa Ada e Cesare Minola in Turijn in 1944 in. Voor het Casa
Orengo ontwierp hij de verrukkelijk speelse theetafel Arabesque in 1949: een
onregelmatig gevormd glazen blad op een golvend essenhouten onderstel dat zo
uit een droom van Dalí lijkt te zijn gekropen. Behalve een bureau voor
de firma Singer in Turijn in 1950 ontwierp Mollino ook lampen, autocarosserieën
(de Osca 1100 won in 1954 de 24-uursrace van Le Mans), kleding en huizen. Navolgers
als Carlo Graffi ontwierpen in dezelfde biomorfe, sensuele stijl meubels van
gebogen triplex en glas. Hoewel Mollino's ontwerpen niet in oplage zijn gefabriceerd,
heeft zijn voorbeeld wel geleid tot een duidelijk organische beweging in het
Italiaanse ontwerp tot in de jaren zeventig. Tri- en multiplex en andere typen
gebogen hout werden in de jaren zestig algemeen vervangen door plastic. Felle
kleuren benadrukten dat het om consumptiegoederen ging die niet mee hoefden
te gaan: vandaag gebruiken, morgen weggooien. De polyester zitmeubelen van Luigi
Colani uit 1971-73 heten Körperform en zijn dan ook gevormd naar en voor
het menselijk lichaam. De organische vormen getuigen van nieuwe inzichten in
ergonomie en aërodynamica. De functionaliteit is op de consument gericht
en niet op de producent, hoewel de meubels uit één stuk polyester
zijn gegoten.
In Noord-Europa liepen de ontwikkelingen weliswaar niet parallel, maar werd
even hard gezocht naar alternatieven voor de algemeen als 'onmenselijk' ervaren
geometrie. De Deense architect en meubelontwerper Arne Jacobsen ontwierp in
1951-52 een stoel van gebogen multiplex op een stalen onderstel met drie poten.
Uit deze Mier ontwikkelde Jacobsen de eveneens houten maar vierpotige stoel
Nr. 3107 Serie 7, met een bijna ergonomische rugleuning, een van de grote succesnummers
van de jaren vijftig. In 1958 kwam hij nog met een variant genaamd de Zwaan,
het jaar daarop met het Ei, een asymmetrische, met leer beklede plastic stoel
op een aluminium poot waarvan de vorm het midden houdt tussen een nier en een
schelp.
Jacobsens landgenoot Verner Panton introduceerde vlak daarop de klassiek geworden
stapelstoel van met glasvezels versterkt polyester. In 1960 ontworpen, ging
de immens populaire stoel pas in 1967 in productie. Panton werkte al van 1950-52
samen met Arne Jacobsen aan experimentele meubels. Eind jaren tachtig kwam hij
weer in de belangstelling met bizarre, organisch gevormde stoelen van plastic.
In Frankrijk ontwierpen Olivier Mourgue en Pierre Paulin midden jaren zestig
sculpturaal gevormde stoelen van schuimrubber om stalen buizen, bekleed met
elastische stof. Deze organische vormen hadden meer met mode en Pop te maken
dan met zitgenot en functionaliteit. Enkele jaren later bouwde de sociaal bevlogen
architect Emile Aillaud organisch gevormde, langgerekte woonblokken in de Parijse
voorstad Evry, genaamd la Grande Borne. Voor het woongedeelte van de Parijse
wijk La Défense ontwierp Aillaud daarop la Borne Gonflée (La Grande
Borne rechtop gezet): een aantal slanke, hoge flatgebouwen met de grondvorm
van een wolk. De buitenmuren zijn allemaal rond; in de wat simplistische symboliek
van de optimistische jaren zeventig betekenen harde lijnen polarisatie en uiteindelijk
oorlog, terwijl ronde lijnen samenwerking, solidariteit en vrede bewerkstelligen.
Hoewel de architect de huurders zo een harmonieuze en vredelievende leefomgeving
aanbiedt, kunnen ze hun rechte meubels niet kwijt tegen de muur. De ramen zijn
bladvormig, dus planten in de vensterbank zetten is er ook niet meer bij. De
flats zijn van buiten betegeld in vrolijke kleuren: groen en bruin als van bomen,
blauw en wit als van wolken. Organischer kan het haast niet.
Kunstblad 5, oktober 2001