Josephine Baker beheerste de 'années folles' in Parijs als geen ander. De levenslust en erotiek van haar 'Revue nègre' inspireerde zowel beeldend kunstenaars als architecten. Met haar kwamen jazz, blues en charleston in de mode in Europa, maar bloeide eveneens het primitivisme.
Michel Didier 2002
Al sinds de Wereldtentoonstelling van 1900 raakte Parijs steeds meer in de
ban van de art nègre, maar de aankomst van de eerste geheel zwarte vaudeville
show uit Harlem in oktober 1925 deed de dijken bezwijken en zorgde voor een
gekte die 'le tumulte noir' wordt genoemd. De absolute ster en het prachtig
vlees geworden symbool van deze rage was Josephine Baker en het evangelie dat
zij predikte was de charleston.
Josephine Baker werd in 1906 geboren als halfbloed in de sloppen van Saint Louis,
Mississippi. Als kind leerde ze van buren de populaire zwarte dansen van die
tijd, zoals de 'Mess Around', de 'Itch' en 'Trucking'. Voor ze veertien was,
verliet ze het ouderlijk huis om te ontsnappen aan de armoede, ellende en spanningen
thuis. Haar eerste stappen in de showbusiness zette ze in het zwarte vaudeville-circuit:
ze speelde trombone, danste en trok gekke bekken met veel scheel kijken. Helaas
was ze te jong, te mager en te klein voor de chorus line, dus ze reisde met
verschillende gezelschappen rond als kleedster tot ze in 1921 de kans kreeg
om als komische act in de chorus line te staan.
Haar wens om op Broadway te staan werd vervuld toen de eerste zwarte show in
lange tijd in New York werd opgevoerd. De musicalkomedie Shuffle Along was vernieuwend
omdat er dansen in werden gebruikt die hun oorsprong vonden in de traditionele
en eigentijdse negercultuur, zoals de charleston en de Black Bottom. Helaas
was Baker te jong, te dun, te klein en te donker voor een rol, dus wachtte ze
haar kans af als kleedster tot ze voor een zieke kon invallen. En invallen bleek
opvallen. Het publiek raakte razend enthousiast voor het uitzinnige dansen en
de gekke smoelen, vooral scheel kijken, van de nog altijd piepjonge artieste.
Wat ze ook allemaal kreeg bijgebracht op het gebied van timing en andere onontbeerlijke
theatereigenschappen, eenmaal op toneel was ze een typische jazzartieste en
improviseerde ze er lustig op los, altijd gericht op bijval van het publiek.
In de volgende show, Chocolate Dandies, werd ze aangekondigd als 'best betaalde
chorus girl ter wereld': ze verdiende 125 dollar per week, terwijl de anderen
er 30 kregen. Baker wierp haar ledematen weer alle kanten op, lustig scheelkijkend,
maar in de laatste scène droeg ze een glamoureuze, wit satijnen jurk
met een split tot op de dij. Met dit elegante, wereldwijze en gladde imago zou
ze de Franse harten veroveren.
Voor de Parijse show werd een speciaal team samengesteld, met als componist
Spencer Williams, die jazzliedjes als Mahogany Hall Stomp en het nu nog bekende
Basin Street Blues had geschreven. Van de orkestleden is klarinettist Sidney
Bechet legendarisch geworden. Voor het ontwerpen van de decors was de Mexicaanse
karikaturist Miguel Covarrubias aangetrokken, die voor Vanity Fair al hippe
tekeningen van Harlem-artiesten had gemaakt.
In de tien dagen tussen de aankomst van de 'troupe' in Parijs en de première
op 2 oktober werd de revue omgetoverd van een typisch Amerikaanse vaudevilleshow,
vol met racistische stereotypen voor het blanke publiek, in een music-hall-spektakel
voor het onbeschaamd nieuwsgierige, zelfs voyeuristische Parijse publiek. De
directeur van het Théâtre des Champs-Elysées, de Zweedse
avantgarde-mecenas Rolf de Maré die in hetzelfde theater triomfen had
gevierd met zijn 'Ballets Suédois', en zijn artistiek leider André
Daven namen de producent van het Casino de Paris, Jacques Charles, in de arm
om er een meer 'Afrikaanse' show van te maken. Charles verschoof het accent
van de tapdansnummers en de spirituals naar de suggestieve dansen van Josephine
Baker. Joe Alex, een waarschijnlijk Caribische danser, werd Bakers danspartner
in de 'Danse sauvage', het klapstuk van de Revue nègre.
De revue begon met een tableau vivant van een Mississippi-havenscène
met alle 25 leden van het gezelschap. Weinig Parijzenaars hadden ooit zoveel
negers tegelijk gezien. Climax van de scène was de glorieuze entree van
Baker met gebogen knieën, gespreide voeten, billen omhoog, buik in, wangen
bol en ogen scheel, schuddend en kronkelend als een slang, met vreemde, hoge
geluiden. Voordat het publiek de kans kreeg om te begrijpen wat dat nou weer
was, rende ze op handen en voeten alweer van het toneel af, haar achterste triomfantelijk
in de lucht. Na acht verdere tableau's kwam de finale. In een nachtclub in Harlem
voerden Baker en Alex hun 'Danse sauvage' op. Hij droeg een broekje en kralenkettingen,
zij een grote veer tussen haar benen en een paar kleine rond de enkels. De ongekend
erotische dans op de woeste jazz leek dromen werkelijkheid te laten worden van
donker Afrika, van primitieve volkeren, van Polynesië, van schilderijen
van Gauguin.
Het succes was ongekend. Na afloop mengde applaus zich met boegeroep, maar het
effect kwam in beide gevallen voort uit geschoktheid. Parijs was verpletterd.
Daags erna gonsden woorden als exotisch, woest, primitief, vitaal, dierlijk
en gedegenereerd door de stad. Baker was van het ene moment op het andere een
ster. Op toneel was ze een soort wild beest, maar daarbuiten hulde ze zich in
de laatste modellen van Paul Poiret, met het goed geoliede haar dat haar handelsmerk
werd. De sleutel tot haar succes lag in de combinatie van primitivisme en modieuze
chic.
Maré en Daven hadden een jonge kunstenaar aangetrokken om het affiche
voor de Revue nègre te ontwerpen. Paul Colin gebruikte slechts drie kleuren
- rood, zwart en wit - voor het klassieke art-déco-ontwerp met de jazzmusicus,
de tapdanser met bolhoed en Josephine, in een pose die hij ontleende aan een
Harlem 'jazz baby' van Covarrubias. Colin week in de daaropvolgende jaren nauwelijks
van Bakers zijde: hij schetste haar vrijwel continu, begeleidde haar naar feesten
en partijen en leverde haar weer keurig voor de deur af. Zijn tekeningen zijn
geen gelijkende portretten, maar zeer snelle schetsen die de uitzinnige bewegingen
vastleggen van Josephine Baker in het bijzonder en 'les années folles'
in het algemeen. Colins claim to fame is Le Tumulte Noir, een in beperkte oplage
uitgegeven map litho's die de 'Afrika-gekte' perfect weergeven. Naast de vele
platen waarop La Baker het beeld uit lijkt te swingen, zijn talloze bekende
Franse vedetten afgebeeld, woest dansend en met een donkere huid, tot Mistinguett
en Maurice Chevalier toe.
Snel na haar eerste succes kreeg Josephine een aanbod voor een show in de Folies-Bergère.
Sinds 1894 hadden naakte vrouwen een belangrijk deel in de reputatie van deze
oudste Franse music-hall, maar naakt betekende in dit geval topless meisjes
die doodstil stonden in tableaux-vivants. De bizarre beweeglijkheid van Baker
was een schok van jewelste in april 1926. Haar lang uitgestelde entree was in
haar beroemde bananenrokje, bestaande uit zestien naar buiten gerichte bananen,
die bij de nietsontziende heupbewegingen op en neer wipten. De seksuele implicatie
ontging maar weinigen. Ze danste een 'duivelse' charleston die sterk tot de
erotische verbeelding sprak, hoewel er natuurlijk ook schande van werd gesproken.
Toch voelde Baker zich vrij en prettig in haar nieuwe vaderland, ongehinderd
door het wettelijke racisme en de Apartheid in haar geboorteland.
Binnen een jaar werd de markt overspoeld met Josephine Baker-poppen, -kostuums
en -parfum en zelfs een pommade genaamd 'Bakerfix'. Talloze art-décobeeldjes
sierden dressoirs en ook kunstenaars lieten zich graag inspireren door de 'Vénus
noir'. De Amerikaanse surrealist Alexander Calder begon al snel na zijn aankomst
in Parijs met het vervaardigen van draadplastieken. Twee ervan waren karikaturen
van Josephine Baker van ongeveer een meter hoog, met een grijns van oor tot
oor en een kop vol kleine krulletjes. Jean Dunand, de bekendste lakwerker van
de Art-Décoperiode, maakte serie lakpanelen voor Baker met haar portret.
Tussen 1925 en 1927 vond een kleine invasie plaats van zwart-Amerikaanse musici
en dansers in Parijs. Iedereen danste de charleston en de Black Bottom, van
Piet Mondriaan tot de Oostenrijkse architect Adolf Loos, die de dans leerde
in Bakers cabaret 'Chez Joséphine' en zich erop beriep een van de beste
dansers te zijn (hij was toen 57). Loos woonde al enige jaren in Parijs en was
bevriend met de danseres. Later herinnerde hij zich hun ontmoeting: "Het
was in Parijs. Ze kwam naar me toe en had een slechte bui. 'Denkt u zich in
Loos,' pruilde ze, 'Ik wil maken een grote, grote verbouwing in mijn huis en
plannen van architecten bevallen me niet.' Ik was buiten mezelf. 'Wat, en je
komt niet gelijk naar mij? Weet je dan niet dat ik het mooiste plan in de wereld
voor je kan ontwerpen?' Josephine kijkt me met haar kinderogen verwonderd aan
en vraagt langzaam: 'Bent u dan architect???' Ze had geen idee wie ik was. Ik
tekende een plan voor Josephine - ik beschouw het als een van mijn beste. De
buitenmuur is met witte en zwarte marmerplaten - dwars gestreept - bekleed.
Het mooiste in het huis is het zwembad, met bovenaardse lichteffecten."
Het huis werd nooit gebouwd, maar er bestaan nog ontwerptekeningen en een maquette
van. Het had in het 16e arondissement moeten komen, als een samenvoeging van
twee panden op een straathoek. Hoewel Baker in het luxe 16e woonde, liet ze
dagelijks haar luipaard uit op de Champs-Elysées, tot verbazing van de
voorbijgangers, hoewel ze lang niet de enige ster in Parijs (en Hollywood) was
die ranke wilde dieren in het openbaar aan het lijntje hield.
In 1929, een jaar na haar ontmoeting met Loos, ontmoette een andere, jongere,
held van de moderne bouwkunst. Op de terugreis van een tournee door Zuid-Amerika
kwam ze aan boord van de 'Lutetia' Le Corbusier tegen. Op een gekostumeerd bal
aan boord baarde de bebrilde architect veel opzien door verkleed als Josephine
Baker te verschijnen. Volgens sommige architectuurhistorici zijn de hierna intredende
gebogen lijnen en vormen in Corbu's werk een gevolg van de indruk die 'la Sauvage'
op hem maakte.
De 'neger'-rage duurde maar een paar jaar. In Frankrijk overvleugelde de 'retour
à l'ordre', die direct na de Eerste Wereldoorlog had ingezet in de gedaante
van een nieuw classicisme, het kubisme en het daaruit voortgekomen primitivisme.
Josephine bleef echter ook in jaren dertig populair, hoewel de internationale
tournee die ze in 1928 maakte niet het daverende succes van haar Parijse entree
bracht. In Berlijn trad ze voor volle, enthousiaste zalen op, maar in München
verbood de politie de voorstellingen uit angst voor ongeregeldheden, in Boedapest
vonden ze dat er te veel negers op het toneel stonden en in Wenen repte conservatieven
van 'degeneratie' en 'pornografie'. Oostenrijkse Art-Déco-keramisten
maakten evenwel portretbeeldjes van haar en Duitse chryselefantine beeldjes
(brons en ivoor) van de jaren dertig hebben meer van de vitalistische, licht
androgyne beweeglijkheid van Baker dan van de bewerkelijke, exotische kostuumdanseressen
van de Ballets Russes. En 'Chez Joséphine' werd een internationale keten.
Dans was alles voor Josephine Baker. Ze wilde niets liever dan in het harnas
sterven, na een uitputtende dans, op toneel. Uiteindelijk werd haar wens bewaarheid:
de dag na een glorieus verlopend optreden in de Bobino in 1975 danste ze heen
tijdens haar middagslaapje, 68 jaar oud. Haar betekenis is moeilijk te overschatten:
zij was simpelweg het symbool van de jazz age in Parijs, tijdens de années
folles toen de stad weer het bruisende artistieke en amusementscentrum van wereld
was. Daar ontmoetten kunst en dans elkaar, theater en architectuur, muziek en
film, en gaf de art nègre de moderne kunsten een blijvende impuls.