Geen decennium deze eeuw werd zo door optimisme gekenmerkt als dat van de jaren twintig, de roaring twenties. Het ongebreidelde geloof in de vooruitgang vond zijn neerslag in de stroomlijn. Daarbij werd vooral gekeken naar de oceaanstomer, in die dagen hèt symbool van menselijke vooruitgang.
Michel Didier 1993
De eerste wereldoorlog had een wreed einde gemaakt aan de goedburgerlijke samenleving
van de negentiende eeuw, met haar pittoreske koningen en keizers, haar wespetailles
en kachelpijpen en haar smeedijzeren fabrieken achter neogotische façades.
De puinruimers werden bezield door het geloof dat uit de as van Victoriaans
Europa een nieuwe samenleving zou verrijzen, bewoond door niemand minder dan
de Nieuwe Mens. Voortrekker van dit alles was de techniek: spectaculaire uitvindingen
wezen de weg en nieuwe ontwikkelingen in de industrie zorgden ervoor dat luxe
produkten binnen ieders bereik kwamen. Zoals alles moest ook de vormgeving van
de produkten modern zijn, niet afgeleid van plant- en diervormen, maar zo technisch
als maar mogelijk was.
Van nieuwe industriële materialen als (melk-) glas en chroom werden lampen,
tafels, asbakken en een veelheid aan prullaria vervaardigd, en voor de vormen
keken de ontwerpers naar de nieuwste, gestroomlijnde vervoermiddelen.
Voor het eerst sinds hun uitvinding werd aan treinen, auto's en vliegtuigen
bewust een moderne vorm gegeven, een vorm die de snelheid van de moderne tijd
suggereerde: de stroomlijn was geboren. De bijbel van het stroomlijndenken was
Horizons, het invloedrijke boek van Norman Bel Geddes uit 1932. Daarin toverde
hij de lezer duizelingwekkend aerodynamische ontwerpen voor, de een nog futuristischer
dan de ander. Hoogtepunt is het ontwerp voor een oceaanstomer, dat nog het meest
weg heeft van een atoomonderzeeër met achterover gepommadeerde schoorstenen.
Dat Geddes zijn meest geavanceerde ontwerp bewaarde voor een schip is niet zo
verwonderlijk. In de dagen dat het KLM-personeel nog loslopend vee moest verwijderen
van de landingsbaan was het passagiersschip het middel dat de wereld dichtbij
bracht en de volkeren tot elkaar. Transatlantisch passagiersverkeer bestond
al in de negentiende eeuw, maar vanaf de eeuwwisseling werden de schepen steeds
groter en sneller. De concurrerende Europese scheepvaartmaatschappijen ontwierpen
reusachtige drijvende paleizen, die in grote vaart de oceaan overstaken. Het
ene record na het andere sneuvelde, tot de oversteek was teruggebracht tot minder
dan vier dagen; in 1838 had de Sirius er nog achttien dagen voor nodig om New
York te bereiken.
De schepen moesten niet alleen snel zijn, maar er vooral ook snel uitzien: het
stroomlijnen van de boeg werd al spoedig even onontkoombaar als het achterover
laten hellen van de schoorstenen en het vloeiend rond maken van alle uitstekende
delen, zowel boven- als benedendeks. Een nimmer geëvenaard hoogtepunt in
deze ontwikkeling was de tewaterlating van de Franse oceaanreus Normandie in
1932. Nooit heeft een aerodynamischer schip de wereldzeeën bevaren; Cassandres
veel gereproduceerd affiche geeft beter dan een beschrijving weer hoe werd opgekeken
naar de drijvende steden, die het menselijk vernuft had ontworpen als een prelude
op de steden van de toekomst. Al in 1923 schreef Le Corbusier in Naar een nieuwe
architectuur dat architecten de boot hadden gemist: "maar degenen die passagiersschepen
bouwen, creëren paleizen, waarbij kathedralen in het niet vallen: en ze
laten ze nog te water ook!" In Nieuwpoort werden zelfs twee hotels gebouwd
in de vorm van de Normandie: Hôtel 'La Péniche' in 1932 en Hôtel
'Normandie' in 1935.
Toen de Verenigde Staten begin jaren twintig de immigratie sterk aan banden
legden, werd de oceaanstomer het domein van de naar prestige snakkende nieuwe
rijken. Amerikaanse zakenlieden en toeristen liepen zo de meeste kans gokkende
Britse, wufte Franse of ontheemde Russische adel tegen het lijf te lopen. Waar
de inrichting van Britse schepen als de Queen Mary uitmuntte in behoudend degelijke
Art Déco en de Italianen de passagiers overrompelden met overdadig neobarokke
varianten, daar gaven de Fransen een proeve van de meest verfijnde, moderne
vormgeving. Al op de Paris, te water gelaten in 1919, verlichtten sierlijk bewerkte
glazen koepels golvend smeedwerk en tapijten met geometrische patronen. Voor
de Ile de France (1927) werden dertig topontwerpers ingeschakeld: Jeanniot,
Bouchard en Saupique ontwierpen de conversatiezalen, Baudry de beelden en Pierre
Patout de eetzaal voor zevenhonderd gasten, in Pyrenees marmer in drie tinten
grijs en met glasornamenten van Lalique.
Maar zelfs de Ile de France, bezongen in populaire liedjes uit die dagen, werd
driewerf geslagen door de Normandie. Voor het gestroomlijnde voorkomen had de
uitgeweken Rus Vladimir Joerkevitsj, drie schoorstenen nodig: de achterste brandde
niet, maar bevatte een hondenkennel. Het hooggeëerde publiek kon zich vermeien
in blauw marmeren zwembaden, een compleet theater, een bioscoop, een wintertuin
met tropische planten en vogels en een kapel in Byzantijnse stijl. De grote
conversatiezaal, ontworpen door Acon en Patout, was voorzien van luchters van
Lalique, glaspanelen van Jean Dupas en meubilair van Ruhlmann; de stoelen waren
bekleed door Aubusson. De eetzaal was een tour de force van gekleurd glas, van
binnen verlichte zuilen en acht paar bewerkte bronzen deuren. Het entreeportaal
was bekleed met Algerijnse onyx en de hele zaal was net iets langer dan de spiegelzaal
in Versailles. Het schip zelf mat 312 meter.
Bij de tweeduizend passagiers en 1345 bemanningsleden van de Normandie staken
de Nederlandse lijnschepen wat magertjes af, maar de vele schepen die vanuit
Amsterdam en Rotterdam naar Amerika en Indië voeren kenden een vergelijkbare
luxe aan boord. Legendarisch is de pronkvolle inrichting van de S.S. Statendam,
het paradepaardje van Holland-Amerikalijn dat in 1929 te water gelaten werd.
In de reclamefolder heette het: "De Statendam is een ware zegepraal van
hedendaagschen scheepsbouw...Zij heeft onder andere een schitterende balzaal,
een leeszaal, een rookkamer, een conversatiezaal, een verandah-café en
groote wandeldekken...Bij bezichtiging van de Statendam zou de belangstellende
bezoeker zich het eerst naar de palmentuin kunnen begeven...De versiering van
dit vertrek bevat Chineesche motieven met overheersching van fraai rood lakwerk.
Kostbare Chineesche tapijten stoffeeren de rubbervloerbedekking."
In de tweede wereldoorlog deden de meeste oceaanstomers dienst als transportschepen,
en in de jaren vijftig werd de draad voorzichtig weer opgepakt. De onbezonnen
luxe van het interbellum zou nooit meer terugkomen, en nieuwe schepen werden
maar mondjesmaat gebouwd. Wel werd de inrichting van de nog bestaande schepen
drastisch aangepast aan de eisen des tijds. En zo gingen gigantische art-déco-interieurs
met het grofvuil mee.